Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is hier niet de plaats om in uitvoerige beschouwingen over de wording en de beteekenis van dit artikel te treden. De vraag of de bewoordingen waarin het gesteld is ruimte laten voor de invoering van algemeen stemrecht, een vraag waarover lang en breed is getwist, is practisch vrij wel ontkennend beantwoord. De partijen, die naar algemeen stemrecht streven, hebben thans ook Grondwetsherziening in haar vaandels geschreven.

Zoolang deze evenwel niet is verkregen, is het van belang na te gaan, welke banden den wetgever zijn aangelegd.

In dit opzicht is een belangrijk verschil met de Grondwet van 1848 op te merken. Ontegenzeggelijk is aan de wet een groote mate van vrijheid gegeven, terwijl aan den anderen kant de bedoeling van de Grondwet duidelijker is uitgedrukt.

In de eerste plaats staat thans uitdrukkelijk vermeld, dat de verkiezingen rechtstreeks plaats hebben. Terugkeer tot de eenmaal afgeschafte getrapte verkiezingen was wel niet waarschijnlijk, thans is de mogelijkheid daartoe uitgesloten. Evenzoo wordt thans vermeld, dat alleen aan mannelijke ingezetenen het kiesrecht kan worden verleend. Twijfel aan de bedoeling van den grondwetgever van 1848 in dit opzicht kon nauwelijks bestaan '), de tegenwoordige redactie

welstand bezitten en den door de wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt.

De wet bepaalt, in hoeverre de uitoefening van het kiesregt worut geschorst voor de militairen beneden den rang van officier bij de zee- en landmagt voor den tijd, gedurende welken zij zich onder de wapenen bevinden.

Van de uitoefening van het kiesregt zijn uitgesloten zij, wien dat regt bij regterlijke uitspraak is ontzegd; zij die in gevangenschap of hechtenis zijn; zij die bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over hunne goederen hebben verloren; zij die in het burgerlijk jaar, voorafgaande aan de vaststelling der kiezerslijsten, van eene instelling van weldadigheid of van een gemeentebestuur onderstand hebben genoten en, voor zoover de kieswet, hetzij zeker bedrag van den aanslag in eene of meer Rijks directe belastingen, hetzij het bezit van een of meer grondslagen van zoodanigen aanslag als vereischte van kiesbevoegdheid stelt, zij die hun aanslag in die belasting of belastingen niet hebben voldaan.

li Zie Arrest van den Hoogen Baad van 18 Mei 1883.houdende beslissing, dat de Nederlandsclie vrouw naar het geldende Staatsrecht niet had het recht om kiezer te zijn van leden voor de Tweede Kamer der StatenGeneraal, van de Provinciale Staten of van den gemeenteraad.

Sluiten