Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

echter maakt Grondwetsherziening tot een eerste voorwaarde, wil men er toe overgaan aan vrouwen stemrecht toe te kennen.

A ooi het overige worden aan de Kieswet geen andere principieele cischen gesteld dan dat zij kenteekenen van geschiktheid en maatschappelijken welstand moet bepalen, welke de kiezers zullen moeten bezitten en den leeftijd moet vaststellen, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn.

De Kieswet zal dus enkele eischen moeten stellen, waaruit van geschiktheid en maatschappelijken welstand blijkt. Volgens de verklaring door den minister gegeven >) is het bezit van een der dooide wet te stellen kenteekenen voldoende, om iemand het kiesrecht te verschaffen, de vereeniging van kenteekenen van geschiktheid en maatschappelijken welstand is niet noodig. Doch van welken aard zullen de door de wet te stellen eischen moeten zijn? Is het woord geschiktheid, zooals het spraakgebruik zou medebrengen, een generieke uitdrukking, aanduidende het complex van alle eigenschappen noodig voor een persoon of zaak om te kunnen dienen voor een bepaald doel en dus in dit geval ook den specifleken eisch, dien van welstand, omvattende, of zal men uit het feit, dat deze specifieke eisch daarnaast genoemd wordt, moeten opmaken, dat met geschiktheid iets anders, bijv. bekwaamheid, bedoeld wordt? 2) Is den wetgever hier eenige beperking aangelegd, zoodat hij zich niet met een minimum kan tevreden stellen?

Over de beantwoording van deze vragen moet men het eens worden, wil men tot eene oplossing komen en een regeling van het kiesrecht tot stand brengen; vandaar de hierboven verkondigde meening, dat algemeen stemrecht, ook voor mannen, onder de werking van dit Grondwetsartikel althans praktisch schijnt uitgesloten.

Alvorens de pogingen tot oplossing van het kiesrechtvraagstuk en de tegenwoordig geldende wettelijke regeling te bespreken, behooren wij hier nog melding te maken van de bepalingen in het tweede en derde lid van ons artikel vervat.

De derde alinea bevat een opsomming van de gevallen waarin de Grondwet wil, dat men, al moge men ook overigens voldoen aan de vereischten door de wet voor het bezit van kiesrecht gesteld, daarvan zal zijn uitgesloten. Ingevolge deze bepaling zijn van de

I} fcladz^'326 ArntZeniUS' handelingen over de herziening der Grondwet,

2) Zie hierover Mr. J. T. Buys, De Grondwet I, bladz. 148 v.

Sluiten