Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE BOEK.

RE&EERIMSVORI.

HOOFDSTUK I.

dk koning.

A. De drager van het Koninklijk gezag.

In onze inleiding hebben wij zeer in 't kort gesproken over de algemeene eigenschappen der constitutioneele monarchie, thans zullen wij zien, hoe dit beginsel in onzen regeeringsvorm tot zijn recht komt.

Wij beginnen daartoe met na te gaan, welke plaats de Koning in het positieve Nederlandsche Staatsrecht inneemt.

In de vroegste tijden werden bij de Grermaansche volkeren de koningen gekozen. Later werden kroon en land beschouwd als eene nalatenschap, welke de erfgenamen aanvaardden, gelijk de burgers eene erfenis deelen; de verhouding tusschen Koning en Staat was van privaatrechtelijken aard. Zoo verdeelden de zonen van lodewijk den Vrome, de landen van hunnen vader, of zij voerden er krijg over. Vele nadeelen vloeiden uit zulk een toestand voort. In de eerste plaats splitsing, verbrokkeling van het grondgebied. Voorts heerschten er aanhoudende twisten en oorlogen tusschen de erfgenamen. Eindelijk werd het koningschap belet zijne hooge roeping te vervullen. Zij bestaat in de eerste plaats in de zorg voor de eenheid en de zelfstandigheid des lands. Deze eenheid vindt in den Koning zijne machtigste vertegenwoordiging. Doch in de tweede plaats behoort het koningschap te beantwoorden aan de behoeften

Sluiten