Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Regent, onverschilllig of hij de Prins van Oranje, of iemand anders uit het Koninklijk Huis zij, is verplicht, alvorens het gezag te aanvaarden, den eed af te leggen in eene vereenigde vergadering van de beide Kamers der Staten-Generaal ').

Deze eed komt behoudens noodzakelijke wijzigingen overeen met dien, welke door den Koning bij zijne inhuldiging wordt afgelegd, doch de Regent begint met trouw te zweren aan den Koning.

Het inkomen van den Regent wordt bij zijne benoeming of in geval de Prins van Oranje als zoodanig optreedt, bij zijne aanvaarding, door de wet bepaald. Het wordt gevonden uit dat van den Koning, wiens inkomen dus daarmede wordt verminderd. Aan die wet kan tijdens het regentschap niets veranderd worden 2). Het inkomen kan dus evenmin vermeerderd als verminderd worden.

Over het ontwerp dier wet beraadslagen en besluiten de Staten-Generaal

in vereenigde vergadering.

De wet wordt nog bij het leven van den Koning, voor het geval der

minderjarigheid Zijns opvolgers, gemaakt.

1) Art. 43. Bij het aanvaarden van het Regentschap legt de Regent in eene vereenigde vergadering van de Staten-Generaal in handen van den Voorzitter den volgenden eed of belofte af:

„Ik zweer (beloof) trouw aan den Koning: ik zweer (beloof), dat ik in „de waarneming van het Koninklijk gezag, zoolang de Koning minderjarig ^is (zoolang de Koning buiten staat blijft de regering waar te nemen), de „Grondwet steeds zal onderhouden en handhaven.

„Ik zweer (beloof), dat ik de onafhankelijkheid en het grondgebied des „Rijks met al mijn vermogen zal verdedigen en bewaren; dat ik de alge,'meene en bijzondere vrijheid, en de regten van alle des Konings onderdanen en van elk hunner zal beschermen en tot instandhouding en „bevordering van de algemeene en bijzondere welvaart alle middelen „aanwenden, welke de wetten te mijner beschikking stellen, gelijk een „goed en getrouw Regent schuldig is te doen.

„Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!" (Dat beloof ik!")

2) Art. 46. Eene wet bepaalt , bij de benoeming van den Regent of bij de aanvaarding van het Regentschap door den Prins van Oranje, de som, die op het jaarlijksch inkomen van de Kroon zal worden genomen voor de kosten van het Regentschap.

Deze bepaling kan gedurende het Regentschap niet worden veranderd.

Van de kosten van liet Regentschap bespeurt men in de begrooting niets. Tijdens het Regentschap van Koningin Emma werden deze rechtstreeks uit de schatkist aan haar uitbetaald in mindering van het inkomen van de Kroon. (Ingevolge de wet van 23 Juli 1885, Stbl. n°. 157).

Sluiten