Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Staten-Generaal wordt in handen van den voorzitter een eed afgelegd, waarvan het formulier in de Grondwet is vastgesteld >) 2).

Wanneer het noodig blijkt in het noodige toezicht over den persoon van den Koning te voorzien, in geval deze buiten staat is geraakt de regeering waar te nemen, dan kunnen daartoe op dezelfde wijze een of meer voogden benoemd worden. De wet, die deze voogdij regelt, bepaalt tevens den eed (of belofte) door hen af te leggen 8).

B. De Koninklijke Macht.

Het constitutioneele koningschap dankt zijn ontstaan aan het beginsel, dat de rechten van het volk gewaarborgd moeten worden, vooral tegen de willekeur en het absoluut gezag van den Koning. Evenals de constitutioneele beginselen in Engeland het eerst diepe wortelen hebben gevat, zoo is ook daar de constitutioneele monarchie de oudste. De Magtia Charta van 1215 en de Bill ofRights van 1689 zijn de grondslagen, waarop het gebouw der constitutioneele monarchie ginds rusten. Door die beide wetten is het gezag van den Koning

1) Art. 34. Alvorens de voogdij te aanvaarden legt elke voogd, in eene vereenigde vergadering van de Staten-Generaal, in handen van den Voorzitter, den volgenden eed of belofte af:

„Ik zweer (beloof) trouw aan den Koning; ik zweer (beloof) al de „pligten, welke de voogdij mij oplegt, heilig te vervullen, en er mij bijzonder „op te zullen toeleggen, om den Koning gehechtheid aan de Grondwet „en liefde voor zijn volk in te boezemen.

„Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!" („Dat beloof ik!")

2) De hier besproken grondwettelijke regeling is voor de eerste maal tot uitvoering gekomen in de wet van 14 September 1888 (Stbl. n°. 150), waarbij voorzien werd in de voogdij gedurende de minderjarigheid van Koningin Wilhelmina. Deze wet, waarbij één voogd benoemd werd, Hare Majesteit Koningin Emma, stelde een Raad van voogdij in om deze ter zijde te staan. Deze Raad bestond uit vier leden door den Koning te benoemen en voorts uit den Vice-President en het eerstbenoemde lid van den Raad van State, den Voorzitter van de Algemeene Rekenkamer, den President van en den Procureur-Generaal bij den Hoogen Raad. Bedoelde wet regelde zoowel de burgerlijke als de politieke voogdij. Wat eerstgemelde betreft bevatte zij enkele afwijkingen van het gemeene recht, dat overigens uitdrukkelijk toepasselijk werd verklaard.

3) Zie noot 1 vorige bladz.

Sluiten