Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

baarheid des Konings samengaat de verantwoordelijkheid der ministers.

Wij weten hoezeer Koning Willem I zich tegen de invoering der ministerieele verantwoordelijkheid verzet heeft en hoe hij, ten slotte moetende toegeven, de Kroon heeft neergelegd. Door de gebeurtenissen van 1839 en 1840 was hij persoonlijk getroffen; hij gevoelde zich niet in staat onder het nieuwe régime zijn taak als Vorst naar behooren te vervullen.

De persoonlijke regeering was veroordeeld en voor het vervolg onmogelijk gemaakt.

De onschendbaarheid des Konings, gepaard met de ministerieele verantwoordelijkheid is het, welke de vrijheid van beoordeeling van regeeringshandelingen verzekert. Daarbij blijft de Koning buiten spel, en de Koninklijke waardigheid boven alle aanranding. Daarom is het inconstitutioneel, 's Konings naam in te roepen, om dezen of genen maatregel te ondersteunen of te verdedigen.

Maar, zal men zeggen, indien de Koning aan zijne ministers bevolen heeft, een maatregel te nemen — wij zeggen niet, die in strijd is met de Grondwet of eenige andere wet, want daartegen wordt door de wet op de ministerieele verantwoordelijkheid gewaakt — maar die volgens het oordeel der Staten-Generaal niet strookt met het algemeen belang, moeten de ministers dan boeten voor de schuld des Konings? Het antwoord daarop is: de minister is niet het werktuig des Konings; hij is onafhankelijk; hij kan zijne medewerking weigeren; hij is daartoe verplicht, indien naar zijne overtuiging het bevolene in strijd is met het algemeen belang; zelfs kan die overtuiging hem nopen, zijne betrekking neder te leggen. Doet hij dit niet, onderwerpt hij zich aan het bevel, dan neemt hij de verantwoordelijkheid op zich. en boet hij voor eigen schuld.

Vandaar ook de bepaling van het laatste lid van artikel 77: „Alle Koninklijke besluiten en beschikkingen worden door een deihoofden van de ministeriele departementen medeonderteekend". Uit deze medeonderteekening, contra-seign genaamd, blijkt welke minister voor een bepaalde regeeringsdaad verantwoordelijk is te achten.

De grondwettige onschendbaarheid des Konings strekt zich slechts uit over zijne staatkundige handelingen. Als bijzonder persoon is de Koning, gelijk wij boven zagen, onderworpen aan het gewone recht, met dien verstande, dat wat het strafrecht betreft, dit feitelijk

Sluiten