Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Over buide middelen zullen wij nog gelegenheid hebben n;ider te spreken.

In het voorafgaande hebben wij terloops eenige regels leeren kennen, die de verhouding van de Regeering tot de Volksvertegenwoordiging beheerschen.

Deze regels en andere, waarvan wjj later nog eenige zullen ontmoeten, vinden wij nergens neergeschreven, noch in de Grondwet noch in eenige andere wet. Ook kunnen wij feitelijk niet van gewoonterecht spreken, daar gewoonte geen recht geeft, dan wanneer de wet uitdrukkelijk er naar verwijst ').

Desniettemin worden de door ons bedoelde regels in de practijk evenzeer geëerbiedigd als de grondwettelijke voorschriften, waartoe zij in nauw verband staan. Het zijn regels van politieke moraliteit, in het Engelsch staatsrecht bekend onder den naam „conventions" 2).

Deze regels, hoewel nergens uitdrukkelijk erkend, zijn zoo gemeen goed geworden, dat bij schending daarvan, algemeen wordt gesproken van eene inconstitutioneele daad.

Zooals gezegd, beheerschen zij de verhouding van de Regeering tot de Volksvertegenwoordiging en wel op deze wijze, dat het meerendeel, zoo niet alle, voorschrijven, op welke wijze de Regeering de haar toevertrouwde macht behoort uit te oefenen.

Hierboven zeiden wij, dat met de ministerieele verantwoordelykheid het ontbindingsrecht het parlementaire stelsel bevestigt, dat wil zeggen, dat dientengevolge het overwicht bij het parlement, bij de volksvertegenwoordiging, is gebracht.

Dat het de bedoeling van de Grondwetsherziening van 1848 geweest zou zijn daartoe te geraken, wordt door zeer velen ontkend.

Doch hoe dit ook zij, de kiem waaruit het parlementaire overwicht zich kon ontwikkelen was in 1848 gelegd. De verschillende rechten aan de Volksvertegenwoordiging toegekend, de ministerieele verantwoordelijkheid aangevuld en tot haar recht komende door het interpellatierecht der Staten-Generaal, het recht van amendement der Tweede Kamer, de verbetering van het budgetrecht,

1) Art. 3 der Wet houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het koningrijk: „Gewoonte geeft geen regt, dan alleen wanneer de wet daarop verwijst."

2) Zie A. V. Dicey, Introduction to the study of the law of the constitution, page 345 sqq.

Sluiten