Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

des volks. Daartoe wordt handelend optreden, de tluud vereischt. Zij vindt bij den Staat haar orgaan in de Uitvoerende Macht.

Op dit gebied is de voornaamste werkzaamheid der Regeering gelegen. Terwijl toch de Koning op het gebied der wetgevende macht gebonden is aan de medewerking van anderen en de rechtspraak in zijn naam door onafhankelijke rechters wordt gegeven, oefent hij de regeeringsmacht, voor zooverre deze zich daarbuiten beweegt, zelfstandig uit. De Grondwet drukt dit uit met de woorden: „Do uitvoerende magt berust bij den Koning" '). Dit artikel moet niet in letterlijken zin worden opgevat; doet men dit, dan komt men in strijd met andere artikelen, waaruit blijkt, dat de uitvoering niet altijd bij den Koning is, terwijl het aan den anderen kant een ruimere beteekenis heeft dan de woorden schijnen aan te duiden. Men zal er in moeten zien de bevoegdheid om handelend en regelend op te treden, zoo dikwijls het niet betreft wetgeving en rechtspraak. Besturende, bewindvoerende macht zou de gedachte dus beter uitdrukken.

De taak dezer macht is het in de eerste plaats de wet uit te voeren. Doch daartoe is zij niet beperkt. Want buiten den kring, waarin de wetgever zich beweegt, ligt een andere, die evenzeer regeling behoeft. De wet kan uit haren aard slechts die onderwerpen beheerschen, welke zich door bestendigheid en algemeenheid kenmerken. Daarnaast staan vele andere, welke, hetzij veranderlijk zijn, hetzij eene tot in bijzonderheden afdalende regeling vereischen. In die gevallen treedt de Regeering op als orgaan van de uitvoerende macht 2).

Een uitvloeisel dezer macht des Konings is zijne bevoegdheid om algemeene maatregelen van bestuur uit te vaardigen 3). Langen tijd is het eene belangrijke vraag geweest, wat men daaronder heeft te verstaan. Terwijl sommigen betoogen, dat zij alleen mogen worden uitgevaardigd in de gevallen, waarin de Grondwet of de wet den Koning uitdrukkelijk machtigt 4), meenen anderen, dat zij aan

1) Art. 55.

2) Over de verplichting aan provinciale, gemeente- en waterschapsbesturen opgelegd om hunne medewerking tot de uitvoering van wetten enz. te verleenen, zullen wij later spreken.

3) Art. 56, lste lid. Door den Koning worden algemeene maatregelen van bestuur vastgesteld.

4) Dit stelsel is aangenomen door den Hoogen Rnad in zijn arrest van 13 Jan. 1879 (Weekblad van liet Recht n°, 4330).

Sluiten