Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dezen eisch niet behoeven te voldoen, als zij slechts geene voor de burgers bindende bepalingen, geene rechtsvoorschriften behelzen Een derde gevoelen gaat uit van de stelling, dat de grenzen dezer maatregelen niet nauwkeurig omschreven zijn en acht het voldoende, dat zij niet in strijd zijn, hetzij met de Grondwet, hetzij met eene wet.

Voor de laatste opvatting pleit, naar het ons voorkomt, in de eerste plaats de geschiedenis der Grondwet 2). In 1815 werd evenmin als in 1814 dos Konings bevoegdheid om verordeningen uit te vaardigen in twijfel getrokken. Slechts het recht om straf te bedreigen ontbrak, aangezien de artikelen der wet, waarop de straf is gevestigd, ook destijds in het vonnis moesten worden aangehaald. In deze leemte voorzag de wet van 6 Maart 1818 (Stbl. n°. 12), welke straf bedreigde tegen de overtreding van algemeene maatregelen van inwendig bestuur en niet is aangenomen zonder hevigen tegenstand, welke niet zou zijn te verklaren, wanneer Regeeringen Kamer in de ineening hadden verkeerd, dat deze maatregelen alleen gewettigd waren, wanneer zij tot uitvoering der wet werden genomen. Bij de herziening van 1848 werd geene bepaling opgenomen, waaruit beperking van 's Konings bevoegdheid ten aanzien der algemeene bepalingen van bestuur voortvloeide. De huldiging van het beginsel der ministeriëele verantwoordelijkheid gaf echter een krachtigen waarborg tegen misbruik. In en na 1848 is door meer dan ééne Regeering eene definitie van de bedoelde maatregelen gegeven. Geene luidde zoo beperkt, dat zij alles uitsloot wat buiten de grenzen van de uitvoering der wet is gelegen of wat rechtsvoorschriften voor de burgers zou behelzen. Eene ruime opvatting van deze maatregelen komt dan ook het best overeen met den omvang der taak, welke de landsregeering tegenover de zoo talrijke en wisselende behoeften der maatschappij heeft te vervullen, waarvan vele voor wettelijke re geling weinig geschikt zijn, zoowel wegens haren aard als wegens den spoed, welken hare bevrediging vereischt.

Voorts strookt de beperkte opvatting weinig met die bepalingen der Grondwet, welke voor verschillende onderwerpen regeling bij de wet eischen. Ware het veld der algemeene maatregelen van inwendig bestuur reeds door de Grondwet zelve scherp van dat deiwet afgescheiden, dan zouden deze bepalingen overbodig zijn.

1) Mr. J. T. Buys, De Grondwet. I, 327 v.v.

2) Mr. B. D. H. Teilegen. De algemeene maatregelen van inwendig bestuur geschiedkundig beschouwd. Amsterdam 1870.

Sluiten