Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gewijzigd ontwerp verschillende bepalingen opgenomen, waarin de politiemacht van het uitvoerend gezag te dezer zake wordt overgeschreven. Ten slotte heeft de Kamer door aanneming van een amendement tot wijziging van den aanhef van artikel 2 der wet beslist, dat de Koning binnen de grenzen door de wet gesteld, bevoegd is in den algemeenen maatregel van bestuur zelf de op te leggen straffen te bepalen 1).

Tot 'sKonings uitvoerend gezag behoort ook de afkondiging der wetten en algemeene maatregelen van bestuur 2). Voor de afkondiging der wetten heeft de Grondwet het noodig geoordeeld, een formulier voor te schrijven, terwijl zij echter aan eene bijzondere wet overlaat, de wijze van afkondiging der wetten en der algemeene maatregelen van bestuur en den tijd, wanneer zij verbindende kracht verkrijgen, te bepalen ®). Voor do wetten is dit geschied bij de wet, houdende „algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk" 4).

1) Zie in anderen zin Mr. J. T. Buys, De Grondwet. ILL, blz. 93.

2) Art. 121, l»«e lid. Alle voorstellen van wet, door de Staten-Generaal aangenomen en door den Koning goedgekeurd. verkrijgen kracht van wet en worden door den Koning afgekondigd.

3) Art. 72. De wijze van afkondiging der wetten en der algemeene maatregelen van bestuur en het tijdstip waarop zij aanvangen verbindende te zijn, worden door de wet geregeld.

Het formulier van afkondiging der wetten is het volgende:

„Wij enz Koning der Nederlanden enz

„Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:

„Alzoo Wij in overweging genomen hebben. dat enz. (De beweegredenen der wet.)

„Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen „overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk „Wij goedvinden en verstaan bij deze" enz.

(De inhoud der wet.)

„Gegeven" enz.

Ingeval eene Koningin regeert of het koninklijk gezag door een Regent of door den Raad van State wordt waargenomen, wordt de daardoor noodige wijziging in dit formulier gebragt.

4) De 14 artikelen dezer wet maakten oorspronkelijk de artikelen 2—15 uit der wet van 14 Juni 1822 (Stbl. n°. 10), doch zijn bij de wet van 15 Mei 1829 (Stbl. n°. 28), op grond van de overweging, „dat de algemeene

bepalingen (daarin) vervat niet bij uitsluiting toepasselijk

zijn op het burgerlijk wetboek" tot een afzonderlijke wet, onder den aangeliaalden titel, gemaakt.

Neemt men met sommige schrijvers desniettegenstaande aan. dat zij

Sluiten