Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat aan den Koning de bevoegdheid worde verleend, 0111 van enkele bepalingen der wet vrijstelling te geven.

De grondslag van dit recht komt overeen met dien welke bij het recht van gratie is aangewezen. Ook de toepassing der burgerlijke en der staatsrechtelijke wetgeving kan in bepaalde gevallen leiden tot eene onbillijke benadeeling van bijzondere personen of van het algemeen belang. De Koning kan dat recht echter slechts dan uitoefenen, wanneer de wet hem daartoe machtigt. Eene algemeene bevoegdheid tot dispensatie mag de wet niet verstrekken.

De bepalingen waarvan dispensatie mag worden verleend, moeten uitdrukkelijk in de wet worden aangewezen. Ter toelichting worde verwezen naar art. 63 der Gemeentewet, hetwelk verschillende betrekkingen niet vereenigbaar verklaart met die van burgemeester, doch den Koning de bevoegdheid geeft daarvan dispensatie te verleenen; zoo is voor het aangaan van het huwelijk een zekere ouderdom voorgeschreven, maar de Koning kan daarvan vrijstelling verleenen, enz. ')•

Sedert 1887 is voorts in de Grondwet bepaald, dat dispensatie van bepalingen van algemeene maatregelen van bestuur alleen dan geoorloofd is, wanneer de Koning zich de bevoegdheid daartoe bij den maatregel uitdrukkelijk heeft voorbehouden. Deze bepaling vindt eene voldoende verklaring in den eisch, dat de rechtszekerheid zooveel mogelijk gewaarborgd zij, waarbij men ook denke aan het kenmerkend onderscheid tusschen een gewoon koninklijk besluit en een algemeenen maatregel, die het karakter eener wettelijke verordening heeft, en waarvoor het advies van den Raad van State vereischt wordt.

's Konings recht om adeldom te verleenen 2). Tijdens de Republiek bezat de adel staatkundige voorrechten; de edelen maakten eenen bijzonderen stand uit; in de Staten-vergaderingen zaten zij vooraan. De Staatsregeling van 1798 hief die voorrechten op; maar de Grondwetten van 1814 en volgende jaren eerbiedigden de herinneringen van den ouden tijd. Zelfs in de Grondwetten van 1815 en 1840 maakten zij in de samenstelling der Provinciale Staten een afzonderlijken stand uit 3).

1) Art. 86 B. W.

2) Art. 65. De Koning verleent adeldom.

Vreemde adeldom kan door geen Nederlander worden aangenomen.

3) Zie artt. 129 en 131 G.W. 1815 en artt. 127 en 129 G.W. 1840.

Sluiten