Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wat de verdere samenstelling en de regeling van de bevoegdheid van den Raad betreft aan de wet overgelaten ').

De wet van 21 December 1861 (Stbl. n°. 129) gewijzigd bij de wetten van 28 Juni 1881 (Stbl. n°. 128) en 11 Juli 1884 (Stbl. n°. 122) heeft aan dit voorschrift voldaan. Zij heeft het in 1848 gevoelde bezwaar ondervangen door bij hare regeling rekening te houden met de ministerieele verantwoordelijkheid. In plaats van een bijzonder adviseur van de Kroon heeft zij den Raad van State gemaakt tot een adviseur der Regeering, d. w. z. een lichaam, dat den Koning mèt zijne ministers van advies dient. Voor het ter overweging aanhangig maken bij den Raad van de eene of andere zaak is dus altijd de medewerking van een minister noodig 2). Van een persoonlijk presideeren van den Raad door den Koning is dan ook nooit sprake. De adviezen van den Raad worden schriftelijk uitgebracht 3).

Behalve uit den Koning en den Prins van Oranje, bestaat de Raad uit eenen Vice-president en veertien leden. Verder kan de Koning aan de overige prinsen van zijn Huis, wanneer zij meerderjarig zijn, zitting en eene raadgevende stem verleenen 4). Eindelijk kunnen nog vijftien Staatsraden in buitengewonen dienst benoemd worden. Voor dezen zoowel als voor de gewone leden is de leeftijd bepaald op vijf en dertig jaren. De buitengewone worden gekozen uit de zoodanigen, die bewijzen hebben gegeven hetzij van bekwaamheid in zake van wetgeving of bestuur, hetzij van bekendheid met de aangelegenheden der koloniën. Zij genieten geene bezoldiging, maar kunnen opgeroepen worden, om deel te nemen aan bepaalde werkzaamheden. Het doel van deze bepaling is, „ om zonder financieel bezwaar en overgroote uitbreiding van het bestendig personeel, de deuren van den Raad te openen voor elk, wiens medewerking in bijzondere gevallen, door den Koning heilzaam wordt geoordeeld" 5).

1) Art. 74. Er is een Raad van State, welks zamenstelling en bevoegdheid worden geregeld door de wet.

De Koning is Voorzitter van den Raad en benoemt de leden.

De Prins van Oranje heeft, nadat zijn achttiende jaar is vervuld, van regtswege zitting in den Raad.

2) Art. 28 der wet, 3) Art. 32.

4) Bij K. B. van 6 Febr. 1901, n°. 9 heeft de Koningin Z. K. H. Prins

Hendrik der Nederlanden, Hertog van Mecklenburg, aldus zitting en raadgevende stem verleend. Bij zijne installatie heeft H. M. persoonlijk den Raad gepresideerd.

5) Thorbecke, Aant. I, blz. 173.

Sluiten