Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is. Over de examens voor de diplomatie spraken wij reeds boven 1).

Ten opzichte van een gelijktijdig bekleeden van verschillende ambten geldt het koninklijk besluit van 5 Nov. 1851 (Stbl. n°. 141). Een rijksambtenaar mag naast het zijne geen ander rijksambt bekleeden, waarvan de bezoldiging, waaronder ook de gewone en buitengewone inkomsten en voordeelen zijn begrepen,/'300 te boven gaat, dan met machtiging des Konings; evenmin mag de rijksambtenaar zonder die machtiging eenig ambt aannemen, dat uit eene provinciale, gemeentelijke of waterschapskas bezoldigd wordt, indien de benoeming zelve niet door den Koning geschiedt. Doet hij dit niettemin, dan wordt hij beschouwd als rijksambtenaar zijn ontslag te hebben gevraagd.

Op eiken ambtenaar rusten verplichtingen, nu eens algemeene, dan weder bijzondere. De eerstgenoemde zijn de zoodanige welke uit eene eerlijke en nauwgezette plichtsopvatting voortvloeien. De andere zijn het gevolg van bijzondere instructiën, welke den ambtenaar worden gegeven en op zijnen werkkring van toepassing zijn. Ieder ambtenaar is verplicht eerlijk en trouw zijne bediening te vervullen; hij bedenke, dat de betrekking niet te zijnen behoeve is ingesteld maar ten behoeve van den Staat en in het algemeen belang; van hem worden dus een groote en onophoudelijke werkzaamheid en ondersteuning van het staatsgezag gevorderd. Eene Regeering, die het wel meent met het belang van den Staat, zal het den ijverigen ambtenaar niet ten kwade duiden indien hij hare aandacht vestigt op de leemten en gebreken, welke hem bij de waarneming zijner betrekking in het oog zijn gevallen. „ Het staatsbestuur moet niet in beweging gebracht worden door instrumenten, die lijdelijk bewogen worden, maar door denkende wezens" 2). Alleen kan de Regeering met recht eischen, dat hij, die zich daartoe geroepen voelt, de noodige bescheidenheid in acht neme.

Mag een ambtenaar oppositie maken? Men make onderscheid. Indien oppositie maken gelijk staat met opzetten tegen de lïegeering, waaraan hij onderdanigheid is verschuldigd, dan voorzeker moet deze vraag ontkennend beantwoord worden. Maar iets anders is de vraag, of de ambtenaar — en hiermede bedoelen wij niet alleen den burgerlijken ambtenaar, maar ook de officieren van het leger en de vloot — niet bevoegd is zijne staatkundige gevoelens, ook

1) Zie boven blz. 151.

2) De Bosch Kemper t. a. p. blz. 408.

Sluiten