Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

achteloosheid of plichtverzuim uit zijne betrekking ontslagen wordt

Ook het verleenen van pensioenen aan weduwen en weezen van burgerlijke ambtenaren wordt bij de wet geregeld (wet van 9 Mei 1890, Stbl. n°. 79, 1. gew. 29 Juni 1899, Stbl. n°. 149). Terwijl het pensioen volgens de tegenwoordige wettelijke regeling voor ambtenaren beschouwd kan worden als uitgesteld tractement, berust de regeling der wet op de weduwen- en weezenpensioenen meer op het beginsel van levensverzekering. Ter verzekering der uitkeeringen is opgericht een weduwen- en weezenfonds voor burgerlijke ambtenaren.

De ambtenaar, wiens betrekking opgeheven wordt, en die dientengevolge een eervol ontslag verkrijgt, heeft aanspraak op eene gedeeltelijke vergoeding wegens het gemis der vroeger door hem genoten bezoldiging , indien hij nog geen recht op pensioen kan doen gelden. Hij bekomt dan wachtgeld. Doch ook afgezien van het geval van opheffing der betrekking kan een ambtenaar om andere redenen op wachtgeld worden gezet, b.v. wegens ziekte, of tijdelijke verhindering van waarneming. Het koninklijk besluit van 24 Juli 1869 (Stbl. n°. 142), gewijzigd 4 April 1892 (Stbl. n°. 60), hetwelk deze materie regelt, bepaalt o. a., dat het koninklijk besluit, waarbij de ambtenaar ontslagen wordt, de oorzaak van het ontslag moet uitdrukken. Ofschoon willekeur daardoor moeilijk gemaakt

1) Onafhankelijk van de genoemde voorwaarden hebben recht op pensioen na bekomen ontslag:

de Ministers, de leden van de Rekenkamer en van de Rechterlijke Macht op grond van ziels- of lichaamsgebreken ontslagen, de consulaire ambtenaren na veertigjarigen dienst (voor sommige posten bij alg. maatr. van best. aangewezen worden voor de berekening van dien diensttijd elke 8 maanden daar doorgebracht voor een jaar gerekend); de in de wet genoemde ambtenaren (als stenografen, kommiezen voor den dienst deiinvoerrechten, opzichters van den waterstaat, brievenbestellers enz.), indien zij den ouderdom van vijf en vijftig jaar hebben bereikt en minstens tien jaar den Staat in hun betrekking gediend hebben.

Volgens de pensioenwet moet de ambtenaar de helft van zijn tractement over één jaar en van latere verhoogingen aan het Rijk afstaan. Die bijdrage wordt in de eerste vier jaren telkens tot een gelijk gedeelte op zijn wedde ingehouden.

De uitgaven jaarlijks door de pensioenen van burgerlijke ambtenaren gevorderd worden in afwijking van vroegere regeling op de Staatsbegrooting geleden, de bijdragen onder de middelen tot dekking verantwoord.

Sluiten