Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Commissie van 17 Maart 1848 overeenkomstig wier voorstel het recht van amendement aan de Tweede Kamer werd toegekend, was echter van meening, dat het niet aan de Eerste Kamer moest worden gegeven, daar deze geen ander doel had dan om de driften en dwalingen van het oogenblik tegen te gaan. De Eerste Kamer had ook een te beperkt karakter om haar met dit recht te bekleeden. Het zou aanleiding geven tot allerlei omslag en moeilijkheden om bij verschil van gevoelen tusschen de beide Kamers tot een besluit te komen; men vreesde voor strijd.

Den voorstanders kwamen deze argumenten echter niet afdoende voor. Zoowel bij de herziening van 1848 als bij die van 1887 zijn pogingen in het werk gesteld om het recht voor de Eerste Kamer te verwerven.

In het laatstgenoemde jaar werd in de afdeelingen een soort bemiddelingsvoorstel gedaan. Sommige leden toch wenschten ook aan de Eerste Kamer eenig recht van amendement te zien toegekend. De Kamer zou daardoor meer gezag en invloed erlangen. De dikwijls moeilijke keuze zou haar bespaard worden tusschen ongewijzigde aanneming of geheele verwerping van voorstellen, waartegen zij alleen wegens enkele onderdeelen bezwaar had. Toch achtten zij het niet raadzaam het recht van amendement zonder eenige beperking aan de Eerste Kamer te verleenen; immers zou daaruit in sommige gevallen onbepaald uitstel van beslissing kunnen voortvloeien.

Zij stelden daarom de volgende bepaling voor:

„ Alvorens tot de eindstemming omtrent eenig voorstel des Konings, haar door de Tweede Kamer toegezonden, over te gaan, is de Eerste Kamer bevoegd, onder terugzending daarvan, aan de Tweede Kamer in overweging te geven, daarin een of meer bepaaldelijk omschreven wijzigingen te brengen.

De Tweede Kamer zendt het voorstel, na daarin de voorgestelde wijzigingen al dan niet te hebben gebracht, nader aan de Eerste Kamer, welke het alsdan in zijn geheel aanneemt of niet aanneemt" 1).

De meeste leden konden zich hiermede echter niet vereenigen en ook de Regeering verzette er zich sterk tegen. Zy was van oordeel, dat do voorgestelde bepaling tot veel omslag zou leiden en tot gedurige geschillen tusschen de beide Kamers aanleiding zou kunnen geven. Zij zou de werking dor staatsmacht te zeer compliceeren 2).

2) Arntzenius, III, blz. 5b.

Sluiten