Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK I.

DE STAATSZORG MET BETREKKING TOT DE FINANCIËN.

Zal de Staat zijne taak naar behooren vervullen, dan moeten hem ook de middelen ten dienste staan, welke hij daartoe van noode heeft. Om te leven en te werken moet hij middelen ontvangen en uitgaven doen, gelijk eene bijzondere huishouding. Aan den anderen kant wijkt hij daarvan in belangrijke opzichten af. De middelen toch, waarover hij beschikt, zijn in zekeren zin onbeperkt. Als souverein kan hij door belastingheffing binnen zekere, zeer ruime grenzen, van de ingezetenen eischen wat hij noodig heeft. Daarom staat in zijne huishouding niet, gelijk bij de bijzondere, de vraag op den voorgrond, hoever strekken mijne middelen? maar onderzoekt hij in de eerste plaats, welke uitgaven hij heeft te doen, om zich van zijne taak te kwijten. Daarna moet de vraag worden beantwoord: welke is de beste weg om de middelen voor deze uitgaven te verkrijgen? In dien zin kan men zeggen, dat de Staat zijne inkomsten pleegt te regelen naar zijne uitgaven, dat hij ,, de nering naar de tering" pleegt te zetten.

In de eerste tijden der middeleeuwen betroffen de grootste uitgaven de hofhouding en de krijgstoerustingen van den Landsheer. Deze voorzag daarin uit eigene middelen — uit de opbrengst zijner domeinen. De weinige ambtenaren, die er noodig waren, genoten geene of eene zeer geringe bezoldiging. Later, toen de behoeften grooter werden, en de Landsheer ze niet meer zelf kon bestrijden, was hij verplicht hulp te vragen aan de steden, welke, door handel en nijverheid rijk en aanzienlijk geworden, slechts tegen het afstaan van privilegiën en rechten, — te gewichtiger naarmate zij zich van hare kracht meer bewust werden — zich bereid verklaarden, hem met hare gelden behulpzaam te zijn. Om deze te kunnen opbrengen, en tevens in hare eigene stijgende behoeften te voorzien, werden in de steden belastingen ingevoerd. Van verscheidene zaken, vooral van de zoodanige, die het meest in gebruik waren, bijv. eetwaren, gronden, huizen, voorwerpen van weelde enz. werden rechten geheven. Van de steden ging dit stelsel over op de provincie, totdat het eindelijk bij de erkenning van de eenheid van den Staat van algemeene toepassing werd ten behoeve van de geheele Staatshuishouding.

Naarmate een volk een hoogeren trap van ontwikkeling heeft

Sluiten