Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Per transport . . . f 1086,725,050 krachtens de wet van 9 Juni 1898, Slbl. n°. 142 ')>

rentende 3 % 51,584,400

e. een bedrag aan schuldbekentenissen, uitgegeven krachtens de wet van 29 Juni 1899, Stbl. n°. 148 2),

rentende 3 % 5,426,000

zoodat het geheel bedraagt . . . f 1143,785,450 Het bedrag der renten, daarvoor op dezelfde begrooting uitgetrokken , is:

a. van de 2'/g % ingeschreven schuld . ... f 15,624,885.00

b. van de ingeschreven 3 % rentegevende schuld

en de 3 % schuldbekentenissen, samen . . . . „ 15,564,201.50

Te zamen ... ƒ 31,189,086.50

Hierbij komen nog:

c. interesten en kosten van vervaardigingen uitgifte

van schatkistbiljetten en schatkistpromessen enz.. „ 300,000.00

d. renten door Nederland aan België verschuldigd,

ingevolge een overeenkomst betreffende de overneming van de Nederlandsche gedeelten van eenige

in Nederland en België gelegen spoorwegen . . . „ 200,062.50

e. renten en interesten van verschillenden aard

tot een gezamenlijk bedrag van 64,419.28

f. amortisatie en aflossing van rentegevende Nationale Schuld, daaronder begrepen de afkoop van tot het domeinbeheer behoorende renten,

vaste lasten en uitkeeringen 3,121,000.00

Zoodat de Staat in 1901 te betalen heeft . . . f 84,874,568.28

De 2'/g % ingeschreven schuld is het overschot der oorspronkelijke werkelijke en uitgestelde, waarvan wij het ontstaan boven hebben vermeld. De 3 % schuld dankt haar ontstaan gedeeltelijk nog aan de bij de wet van 6 Maart 1844 (Stbl. n°. 14) uitgeschreven leening. Voor het overige is zij afkomstig van conversie van leeningen

1) De wet van 9 Juni 1898, Stbl. n». 142, betrof het aangaan van een geldleening tot versterking van de Indische geldmiddelen.

2) De wet van 29 Juni 1899, Stbl. n°. 148, betrof het aangaan van een geldleening tot nakoming van de overeenkomst met de Maatsch. tot Expl. der S.S. gesloten, in verband met 't vervallen der concessie Leiden—Woerden.

Sluiten