Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoovei deze laatste door overlijden van iemand, geen ingezetene van het Rijk, verkregen worden.

Bij de wet van 1878 zijn deze belastingen uitgebreid tot hetgeen in de rechte lijn wordt geërfd. Overigens hebben de verschillende wijzigingen voornamelijk ten doel gehad de techniek der heffingen te verbeteren en het percentage te verhoogen. De wet van 1898 echter, te gelijk met die van 1897 op den l«ten April 1898 in weiking getreden heeft het recht van overgang geheven van onioerende zaken van niet ingezetenen, door laatstgenoemde wet tot 8'/2 % opgevoerd, tot 6 % teruggebracht.

In eenige weinige gevallen is door de wet vrijstelling van deze belastingen verleend, waarvan wel de voornaamste is, dat van alles, wat door den Staat geërfd of verkregen wordt, geen successierecht verschuldigd is en geen overgangsrecht voor zoover het betreft goederen geërfd of verkregen van overleden ingezetenen.

De wijze van vervolging en de procedure is geheel gelijk aan de hierboven vermelde voor zegelrecht, recht van registratie en hypotheekrecht.

De opbrengst van de hier besproken indirecte belastingen is voor 1901 geraamd als volgt:

«. Zegelrechten f 3>360,000

50 opcenten op zegelrechten 540,000

b. Registratierechten 4,950000

c. Hypotheekrechten 48o'ooo

</. Rechten van successie en van overgang by overlijden - 8,940,000

38 opcenten op die rechten 3,397,200

Tezamen . . . f 21,607,2<Kt

D. Invoerrechten.

"V an buitenlandsche waren wordt bij invoer een zeker recht geheven. Gelijk wij reeds vermeldden 1) is de wijze van heffing dezer rechten geregeld bij de aUjemeene wet van 20 Augustus 1822 (Stbl. n". 38), laatst gewijzigd bij die van 20 April 1895 (Stbl. 11". 54) houdende nadere bepalingen omtrent de heffing van invoerrecht naar de waarde der goederen. De ontvangers hebben namens de administratie het recht van parate executie, privilegie op de

1) Bladz. 250 noot 2.

Sluiten