Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lute competentie, welke ons leert welke zaken bij eiken tak der rechterlijke macht thuis behooren, in tegenstelling met de relatieve competentie in de wetboeken van burgerlijke rechtsvordering en strafvordering geregeld, welke aanwijst bij welk speciaal college van een bepaalden tak men moet aankloppen).

Men moet hierbij in de eerste plaats onderscheiden de rechtspraak in eersten aanleg en die in hooger beroep.

De kantonrechters zijn uit den aard der zaak rechters in eersten aanleg, de arrondissements-rechtbanken rechters in eersten aanleg en in hooger beroep, de gerechtshoven in het algemeen alleen rechters in hooger beroep. De Hooge Raad staat daai boven als algemeen hof van cassatie.

Maatstaf voor de onderscheiding is in strafzaken de aard van het strafbaar feit, in burgerlijke zaken het bedrag of de aard der rechtsvordering. Voor de meeste zaken is de arrondissements rechtbank aangewezen (vandaar dat men van deze spreekt als den „gewonen rechter"). Van hare vonnissen is in den regel hooger beroep op het hof. Geringe burgerlijke zaken komen voor den kantonrechter, gemeenlijk met appèl op de rechtbank. Eveneens berecht hij in 't algemeen de overtredingen, terwijl de misdrijven tot de competentie van de rechtbank behooren, met beroep in het eerste geval op de rechtbank, in het tweede op het hof 1).

Ten aanzien van de regeling der bevoegdheden van den Hoogen Raad 2) was de wetgever meer gebonden, hier toch treedt de Grondwet meer in bijzonderheden.

Reeds Filips de Goede had eenen Hoogen Raad opgericht, ten einde eene zekere eenvormigheid te brengen in de rechtspleging der verschillende gewesten, waarover hij heer was. Bovendien beoogde hij er meê, het hooger beroep op het parlement in Frankrijk, waaraan die gewesten, welke leenen waren van de Fransche kroon, onderworpen waren, of op den Duitschen rijksdag, die de opperste rechtsmacht uitoefende over de aan Duitschland leenplichtige landen, af te snijden. Deze Hooge Raad verkreeg onder Karel den Stoute

1) Zie overigens ten aanzien van de kantongerechten R, O. artt. 38 44, van de arrondissements-reelitbanken R. O. artt. 53—5b en 58, en van de gerechtshoven R. O. artt. 65—69.

2) Art. 162. Er bestaat een opperste geregtshof onder den naam van Hooge Raad der Nederlanden, waarvan de leden door den Koning overeenkomstig het volgende artikel worden benoemd.

Sluiten