Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij, die de eerste opvatting huldigen, meenen, dat uit de naast elkander stelling van „ eigendom of daaruit voortspruitende regten „schuldvordering" en „burgerlijke regten" blijkt, dat met „eigendom " en „ schuldvordering" geen specifiek burgerlijke rechten bedoeld zijn, daar dan de afzonderlijke vermelding geen reden van bestaan had. De aanhangers der tweede leer zien in „eigendom" en „schuldvordering" de typen van burgerlijke rechten; het komt hun veel aannemelijker voor, dat de bedoeling van het artikel is eerst de species en daarna het genus te noemen, zooals dikwijls in onze wetten valt op te merken.

Gelijk we reeds mededeelden is het woordje „of" in 1848 door „en andere" vervangen. Deze wijziging geeft verschillenden aanleiding tot de overtuiging, dat de grondwetgever, afgezien ook van de beteekenis aan de vroegere redactie te hechten, zich toen voor de tweede opvatting heeft verklaard. Anderen spreken dit tegen en daar het artikel in 1887 (met uitzondering van de verandering van „kennis" in „kennisneming" en de weglating van het tweede lid) ongewijzigd is behouden, duurt de strijd nog steeds voort. De wet welke aan art. 154 uitvoering zal geven, zal dezen strijd hebben te beslissen ').

In dit verband brengen wij nog de bepaling van 1870, reeds vroeger door ons vermeld 2), in herinnering, waarbij de Koning wordt aangewezen als scheidsrechter over de geschillen tusschen provinciën onderling, provinciën en gemeenten, gemeenten onderling, alsmede tusschen provinciën of gemeenten en waterschappen en veenpolders. De beperking tot die geschillen welke niet behooren tot de in de artt. 153 en 154 bedoelde, maakt, dat wanneer aan laatstgenoemd artikel uitvoering wordt gegeven, de beslissing over zoog. rechtsgeschillen aan den Koning zal zijn onttrokken.

Verder vestigen wij nog de aandacht op art. 76 en het vijfde en zesde lid van art. 166. Het eerstgenoemde artikel3) stelt den wetgever uitdrukkelijk in de gelegenheid, wanneer hij tot uitvoering van artikel 154 overgaat, den Raad van State of eene afdeeling daarvan als rechter over administratiefrechtelijke geschillen aan te wijzen, eene bevoegdheid die vroeger wel ontkend werd. Geschiedde deze aanwijzing, dan zou dientengevolge resp. de geheele Raad

1) Zie bladz. 296 v.

2) Zie bladz. 127 v.

3) Art. 76. De wet kan aan den Raad van State of aan eene afdeeling van dien Raad de uitspraak over geschillen opdragen.

Sluiten