Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de landmacht, waarvan de bedoeling was bij eventueele mobilisatie in de behoefte aan officieren en kader te voorzien.

In de eerste plaats dan wordt van reserve-officieren gesproken in enkele bepalingen van de reeds door ons vermelde wet tot regeling van het militair onderwijs bij de landmacht. Ingevolge de bepalingen dezer wet toch zijn degenen, die toegelaten zijn tot de Cadettenschool, de Koninklijke Militaire Academie of den Hoofdcursus, daardoor verbonden den Staat, na afloop hunner opleiding, vier jaren als officier te dienen en tevens verplicht, indien zij den dienst verlaten, nog vijf jaren, of zooveel minder als zij langer dan vier jaren als officier hebben gediend, als reserve-officier ter beschikking te blijven.

In de tweede plaats komt hier in aanmerking de instelling van het reservekader, welke dagteekent van het K. B. van 29 September 1893, n°. 5.

Den 2de» Mei 1897 (Stbl. n°. 119) is de wet op de reserve voor de landmacht tot stand gekomen, eene wet tot regeling van:

„1°. den rechtstoestand van het reserve-personeel bij de landmacht, niet behoorende tot het personeel van den geneeskundigen dienst;

2°. de bevordering en het ontslag der officieren, alsmede het op pensioen stellen der officieren, onderofficieren en minderen, behoorende tot het onder 1°. behoorende personeel; en

3°. het verleenen van pensioen of onderstand aan weduwen en kinderen van officieren, onderofficieren en minderen der reserve bij de landmacht, niet behoorende tot het personeel van den geneeskundigen dienst."

Deze wet heeft betrekking op de beide door ons genoemde categorieën, de tweede is begrepen onder de aldaar vermelde „reserve-officieren en reserve-personeel beneden dien rang, als zoodanig benoemd, aangesteld of toegelaten krachtens daarvoor bij Koninklijk besluit gestelde of nader te stellen bepalingen." Het reserve-kader heeft in verband hiermede echter grootere uitbreiding gekregen, het bestaat thans zoowel bij de onbereden als bij de bereden wapenen '), en wordt onderscheiden in adspiranten-vaandrigs, reserve-korporaals, reservesergeanten en vaandrigs bij eerstgenoemde, adspiranten-kornetten,

1) De desbetreffende bepalingen berusten thans: voor infanterie en vestingartillerie op K. B. 24 Juli 1900. n°. 42; voor genie op K. B. 20 Aug. 1900, n°. 26; voor cavalerie, veld- en rijdende artillerie op K. B. 21 Nov. 1899, n°. 38.

Sluiten