Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijze, kan de gemeente met inachtneming der regels voor plaatselijke belastingen vastgesteld, een recht vorderen.

Ook de woonplaats is voor het rechtelijk verkeer een punt van groot belang.

De uitoefening van verschillende, zoowel burgerlijke als staatkundige, rechten hangt daarmede ten nauwste samen. Vandaar dat de wetgever zich ook deze zaak heeft aangetrokken. Het begrip woonplaats is een wettelijk begrip. Niet altijd behoeft de woonplaats tevens de plaats van het werkelijk verblijf te zijn: in rechtskundigen zin is het de plaats waar iemand met betrekking tot de uitoefening zijner rechten en de vervulling zijner verplichtingen, ook zelfs by feitelijke afwezigheid, geacht wordt voortdurend tegenwoordig te zijn >)• De vierde titel van het Eerste Boek van het Burgerlijk Wetboek is hieraan gewijd (artt. 74—82). Somtijds wordt aldaar daaronder verstaan de gemeente, maar veelal het huis, waar men geacht wordt te wonen. Art. 74 bepaalt, dat een ieder geacht wrordt zyne woonplaats te hebben, alwaar hij zijn hoofdverblijf heeft gevestigd. Bij gebreke van zoodanige woonplaats, wordt de plaats van het werkelijk verblijf daarvoor gehouden.

Wil men van woonplaats veranderen dan is noodig overbrenging van het werkelijk verblijf naar een andere plaats met het voornemen aldaar het hoofdverblijf te vestigen (art. 75). Ten bewijze van dat voornemen vordert art. 76 eene verklaring dienaangaande zoowel bij het bestuur der gemeente die men verlaat, als bij dat der gemeente waarheen de woonplaats wordt overgebracht. Bij gebreke van zoodanige verklaring zal het bewijs van het voornemen uit de omstandigheden worden opgemaakt.

Met ingang van 1 Januari 1850 zijn ingevolge K. B. van 22 December 1849 (Stbl. n°. 64) in alle gemeenten bevolkingsregisters aangelegd volgens daarvoor vastgesteld model. De uitkomsten van de algemeene volkstelling werden daaraan ten grondslag gelegd, terwijl voorts elke latere inschrijving zou geschieden, voor ingezetenen onder overlegging van een getuigschrift afgegeven door het gemeentebestuur der laatste woonplaats, voor vreemdelingen onder overlegging van een paspoort. De zorg voor het bewaren en het bijhouden

1) Zie Asser en van Heusde, Handl. tot beoef. van het Nederlandsch Burgerlijk Recht. Deel I, Hoofdstuk III, § 4.

Sluiten