Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der registers werd opgedragen aan de ambtenaren van den burgerlijken stand.

De gemeentebesturen hadden, door het maken van nieuwe politieverordeningen of door herziening der reeds bestaande, te voorzien in de uitvoering van de voorschriften van het besluit, met name van die betrekking hebbende op de veranderingen van woonplaats.

De gemeentewet, die in het volgend jaar tot stand kwam, noemt de zorg voor deze zaak uitdrukkelijk onder de werkzaamheden van den gemeenteraad en stelt deze verplichting dus wettelijk vast. Art. 140 zegt: „Hij (de gemeenteraad) maakt, in overeenstemming met algemeene of provinciale voorschriften, de noodige verordeningen tot verdeeling der gemeente in wijken en tot opmaking van volledige staten der bevolking en harer huizing".

Den 3den November 1861, Stbl. n°. 94, werd met inachtneming van dit wetsartikel het Koninklijk besluit van 1849 herzien en besloten tot een geheele vernieuwing der bevolkingsregisters naaide opgaven der laatstgehouden volkstelling, getoetst aan den inhoud der bestaande registers. Nieuwe voorschriften omtrent het bijhouden werden tegelijk vastgesteld, terwijl bij besluit van gelijken datum, Stbl. n°. 95, de verplichting tot het doen van aangifte voor dé bevolkingsregisters werd geregeld.

In 1870 (5 Mei, Stbl. n°. 73) werden nog wijzigingen in deze besluiten aangebracht; het duurde tot 1887 eer de regeling dezer materie een wettelijken grondslag verkreeg ').

Den 17den April van dat jaar verscheen in het Staatsblad (n°. 67) de wet tot vaststelling van bepalingen betreffende het houden van bevolkingsregisters 2). Deze wet bevat slechts twee artikels: het eerste waarbij

1) Den 13'ien Januari 1879 had de Hooge Raad het bekende arrest (zie ook bladz. 121 >ioot 4) gewezen, waarbij den Koning de bevoegdheid tot het uitvaardigen van algemeene maatregelen van inwendig bestuur, wanneer die niet steunen op eenige wet of daarvan 'uitvloeisels zijn, werd ontzegd en waarbij werd beslist, dat art. 1 der wet van 6 Maart 1818, Stbl. n°. 12, niet kan geacht worden eene algemeene en onbepaalde bevoegdheid aan liet uitvoerend gezag te verleenen om dergelijke algemeene maatregelen uit te vaardigen. Deze leer werd sedert door het college gehandhaafd en zoo ontzeide ook een arrest van 20 November 1886 aan bovengenoemd besluit van 3 November 1861, Stbl. n°. 95, regelende de verplichting tot het doen van aangiften voor de bevolkingsregisters, rechtskracht.

2) Zie bladz. 44 noot 3.

Sluiten