Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

landsche armenwet, maakt daarop volstrekt geen aanspraak

Toch heeft men van oudsher het armwezen beschouwd als een groot maatschappelijk belang, dat de aandacht van den Staat, doch vooral ook van de Kerk ten volle verdiende. Onze Grondwet bepaalt zich er evenwel toe het armbestuur tot een voorwerp van de aanhoudende zorg der Regeering te verklaren, haar tevens opdragende om van de verrichtingen dienaangaande jaarlijks een uitvoerig verslag bij de Staten-Generaal in te dienen. De regeling zelve heeft zij aan eene bijzondere wet overgelaten 2).

De armverzorging nu kan uit tweeërlei oogpunt beschouwd worden, nl. öf alleenlijk als de uitoefening van een zedelijken plicht, welke aan de bijzondere en de kerkelijke liefdadigheid moet overgelaten worden, öf wel als een staatsplicht, in het belang der maatschappij, omdat de armoede de veiligheid en het welzijn van den Staat en zijne leden in gevaar kan brengen.

Naar ons oordeel sluit de eene beschouwing de andere niet uit, en kan het toezicht van den Staat, en zelfs het deel, dat door hem genomen wordt in de verzorging van den arme, zeer goed gepaard gaan met eene armverzorging door particulieren en genootschappen.

Het eerste spoor eener regeling van het armwezen door den Staat, vinden wij in een placaat van Karel V van 1 Oct. 1531, dat , lang de Grondwet is geweest der bedeeling in ons Vaderland" s). De Staatsregeling van 1798 zeide in art. 47 der algemeene beginselen: „De maatschappij bedoelende in alles de welvaart van al hare leden, verschaft arbeid aan de nijveren, onderstand aan de onvermogenden. Moedwillige lediggangers hebben daarop geene aanspraak. De maatschappij vordert de volstrekte wering der bedelarij." Men ziet, hier is sprake van een zeker recht op den arbeid, en van

1) Bij Kon. boodschap van 3 Juni 1901 was een ontwerp van wet tot herziening der regeling van het Armbestuur bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingediend (zitting 1900—1901 n°. 237 ) dat door het nieuw opgetreden ministerie weder is ingetrokken. Een gedeelte van liet hiervolgende is aan de Memorie van Toelichting bij dit ontwerp ontleend.

2) Art. 193. Het armbestuur is een onderwerp van aanhoudende zorg der Regering, en wordt door de wet geregeld. De Koning doet van de verrigtingen dienaangaande jaarlijks een uitvoerig verslag aan de StatenGeneraal geven.

3) Jhr. Mr. J. de Bosch Kemper, Geschiedkundig onderzoek naar de armoede in ons Vaderland, blz. 70.

Sluiten