Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op welke wijze de bij gebruikmaking van die bevoegdheid gemaakte kosten kunnen worden verhaald.

Van de geneeskundige Staatsregeling, die den lste» Juni 1865 in een stel van vier wetten in het Staatsblad verscheen, is alleen de eerste, de wet, regelende het geneeskundig Staatstoezigt (Stbl. n°.58) door de gezondheidswet vervallen verklaard.

Van de drie andere, de wet, regelende de voortvaarden tot verkrijging der bevoegdheid van geneeskundige, apotheker, hulp-apotheker, leerling-apotheker en vroedvrouw (Stbl. n°. 59), de wet, regelende de uitoefening der geneeskunst (Stbl. n°. 60) en de wet, regelende de uitoefening der artsenijbereidkunst (Stbl. n°. 61), bestaan nog de laatste twee, de eerstgenoemde is vervangen door de wet, houdende regeling der voorwaarden tot verkrijging der bevoegdheid van arts, tandmeester, apotheker, vroedvrouw en apothekersbediende, van 25 December 1878 (Stbl. n°. 222), die tevens de bepalingen der wet, houdende regeling van de voorwaarden tot verkrijging der afzonderlijke bevoegdheid tot uitoefening der tandheelkunst en van de uitoefening dier kunst (24 Juni 1876, Stbl. nft. 117), voorzoover zij het eerste gedeelte van dit tweeledig doel, de verkrijging van het diploma, beoogden, deed vervallen.

Vermelding in dit verband verdient ook nog de wet, houdende bepalingen omtrent de invoering der Nederlandsche Pharmacopoea <2 Nov. 1871, Stbl. n°. 118), welke eischt, dat elke nieuwe vaststelling of wijziging daarvan zal geschieden bij algemeenen maatregel van bestuur.

Betreffen de hiergenoemde wetten, die evenals de overige wier handhaving aan het geneeskundig Staatstoezicht was toevertrouwd, voorzoover noodig met de gezondheidswet in overeenstemming zijn gebracht >), dus alle het toezicht op de geneeskundige

1) Artt. 31 v. der gezondheidswet wijzen aan welke wijzigingen in bovengenoemde wetten daardoor worden aangebracht, overigens zijn deze wetten, afgezien van de wijziging bij invoering van het strafwetboek, reeds eerder gewijzigd:

de wet van 1 Juni 1805, S. 59, bij de wet van 23 April 1880, S. 75; de wet van 24 Juni 1876, S. 117, als reeds gezegd bij de wet van 25 Dec. 1878, S. 222;

de wet van 25 Dec. 1878, S. 222, bij de wetten van 28 Juni 1881, S. 103 , 26 Oct. 1889, S. 137 en 12 Dec. 1892, S. 261.

Sluiten