Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de daarin vervatte voorschriften was ingenomen, als wel wegens de moeilijkheid om ten aanzien van eene nieuwe regeling tot overeenstemming te komen. Wel waren zoowel door de Staatscommissie als door de Regeering voorstellen tot wijziging gedaan, doch van verschillende zijden bleek bij dealgemeene beraadslagingen de wensch dit hoofdstuk bij deze herziening onaangeroerd te laten. In overeenstemming daarmede werd het wijzigings-ontwerp teruggenomen door de Regeering, die zelf niet ongaarne daartoe scheen over te gaan1)Sedert 1848 dus huldigt de Grondwet het beginsel eener algeheele scheiding van Staat en Kerk. Inmenging van Staatswege in de uitwendige belangen, is volgens de Grondwet uitgesloten. Hiervan is dus het gevolg, dat de Kerk zelve al hare reglementen kan ontwerpen; dat het politiek gezag in de hoogste kerkelijke vergadering niet meer vertegenwoordigd wordt; dat voor het beroep der leeraars geene koninklijke approbatie noodig is, enz.

Een ander niet minder belangrijk gevolg van deze scheiding is de opheffing van de administratien van eeredienst, waarover wij boven reeds gesproken hebben 2).

De vrijheid in de keuze harer leeraren is den kerkgenootschappen, hoewel zij, gelijk gezegd logisch uit de scheiding van Staat en Kerk voortvloeit, in 1848 niet in de Grondwet verzekerd. De gebrekkige vorm waarin de Staatscommissie dit denkbeeld had belichaamd was hiervan de oorzaak 3). De gewone wetgever heeft hierin echter voorzien; door de wet van 16 Dec. 1861 (Stbl. n°. 124) is het zoogenaamde Collatie-recht, van Staatswege in sommige gemeenten der Xederlandsche Hervormde Kerk tot dusver uitgeoefend, opgeheven.

Wèl is bij de Grondwetsherziening van 1848 het zoogenaamde recht van placet opgeheven <), waarbij onder de werking der Grondwetten van 1814, 1815 en 1840 de Regeering zich een toezicht had voorbehouden, inzonderheid op de briefwisseling der katholieke geestelijken met het hoofd dier Kerk en op de afkondiging van de bisschoppelijke mandementen 5). Het door ons aangehaalde artikel

1) Zie Buys, ITT, bladz. 329 v.

2) Bladz. 150.

3) Zie Buts, II, bladz. 577.

4) Art. 173. De tusschenkomst der Regering wordt niet vereischt bij de briefwisseling met de hoofden der onderscheidene kerkgenootschappen noch, behoudens verantwoordelijkheid volgens de wet, bij de afkondiging van kerkelijke voorschriften.

5) Zie Kon. besluit 10 Mei 1816 (Stbl. n». 23).

Sluiten