Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het leven riep, werd ook verandering gebracht in den rechtstoestand der geestelijke goederen.

Als beginsel aannemende, dat elk kerkgenootschap voor het onderhoud zijner gebouwen en leeraren moest zorgen, gaf zij in de artikelen 4 en 5 der additioneele bepalingen, met inachtneming van een kort overgangstijdperk een nieuwe bestemming aan de hier bedoelde goederen en fondsen:

„Alle Geestelijke Goederen en Fondsen, waaruit te vooren de Tractamenten, of Pensioenen, van Leeraren of Hoogleeraaren der voormaals Heerschende Kerk, betaald werden, worden Nationaal verklaard, om daaruit eerstlijk, de nog blijvende Tractamenten en Pensioenen te voldoen, en, daarna, tot een vast Fonds te worden aangelegd voor de Nationaale Opvoeding, en ter bezorging der Behoeftigen; blijvende nogthands onverlet de aanspraak, welke eenig Lichaam of Gemeente daarop mogt maaken, en, met de noodige bewijzen voorzien, aan het Vertegenwoordigend Lichaam ter bebeslissing zal moeten inleveren."

„Alle andere Kerklijke Goederen, door vrijwillige gift, erfmaaking, inzameling of aankoop, bij eenig Kerkgenootschap verkregen, worden als het wettig eigendom der Bezitteren erkend, en, als zoodanigen, aan hun verzekerd."

De beginselen aangaande de geestelijke goederen in deze bepalingen gehuldigd, zijn in hoofdzaak de grondslag gebleven ook van latere regelingen. Dat beginsel was nationaal verklaring van de geestelijke goederen bestemd voor tractement van predikanten, behoudens de verkregen rechten van anderen. Over de vicariën en andere fondsen voor opleiding bestemd werd evenwel niets beslist.

De toepasselijkheid van deze artikelen op verschillende goederen van kerkelijken oorsprong was zeer twijfelachtig, en men moest er toe overgaan, wilde men de rechten, die men reserveerde niet opzettelijk krenken, de uitvoering te schorsen tot een volledig onderzoek naar aard en oorsprong der geestelijke goederen zou zijn afgeloopen. Hangende dit onderzoek ging men evenwel tot uitvoering over waar geen twijfel scheen te bestaan en werden tal van goederen onder de administratie gebracht van het kantoor der Domeinen der Bataafsche Republiek.

Zooals bekend heeft de Staatsregeling van 1798 slechts kort gegolden.

Wat de quaestie der tractementen betreft, verzekerde de Staatsregeling van 1801, die haar kwam vervangen, aan de leeraren en hoogleeraren „der voormalige bevooirechte kerk", die tijdens de

Sluiten