Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de bevordering van het onderwijs werd aangedrongen en dat de Nationale Vergadering zich dit onderwerp aantrok. Volgens de Staatsregeling van 1798 werd het departement van onderwijs opgedragen aan eenen agent van nationale opvoeding. Het was vooral de later als kanselredenaar zoo beroemde J. H. van der Palm, die, in 1799 met die betrekking bekleed, aan het schoolwezen een vasten grondslag heeft verzekerd. Het was onder zijn agentschap, dat in 1801 de eerste, en in 1803, toen hij raad van binnenlandsche zaken bij het Staatsbewind was, de tweede algemeene schoolwet werd afgekondigd. De gedurige wisseling van staatsregeling en bestuur had echter ten gevolge, dat deze wetgevingen weinig nut deden. Voor den Raadpensionaris Sohimmelpenninok was het weggelegd, in 1806 (3 April) de derde schoolwet in het leven te roepen, die den lsten juij van jaar on(]er het bestuur van den inmiddels opgetreden Koning Lobewijk in werking trad.

Deze wet heeft over het algemeen gunstig gewerkt, althans in den eersten tijd genoot zij de algemeene volksgunst. Langzamerhand evenwel ging men inzien, dat zij niet aan aller wenschen bevrediging gaf, zoodat reeds in 1840 stemmen opgingen om verandering, waarbij rekening zou worden gehouden met de gevoelens van hen, die bezwaar hadden tegen de gedwongen vereeniging van niet-gelijkgezinden.

De Grondwetsherziening van 1848 ') beantwoordde aan deze denkbeelden. Zij heeft „een middelweg gekozen tusschen twee geheel uiteenloopende gevoelens. Sommigen wenschten eene volkomen vrijheid ; anderen daarentegen wilden alleen aan de Regering het beheer over het onderwijs hebben toegekend. Om beider gevoelens zooveel mogelijk in overeenstemming te brengen, werd bepaald, dat er een openbaar onderwijs zal zijn, hetwelk zich niet begeeft op het terrein der godsdienstige begrippen en welks inrigting uitgaat van het gezag; tegenover dat onderwijs, door den Staat ingesteld, aangekweekt , aanbevolen en beschermd, staat het regt voor elk om vrijelijk zijne kundigheden aan anderen mede te deelen, mits hij naar de regelen, door de wet gesteld, van zijne bekwaamheid en zedelijkheid doe blijken. Tevens wordt erkend het regt der ouders, om naar hunne begrippen de opvoeding hunner kinderen te regelen

1) Het voorstel der Negenmannen ging te dezen opzichte niet verder dan den eisch van wettelijke regeling. Zij wilden eenvoudig lezen:

„De inrigting van het publiek onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen, door de wet geregeld."

Sluiten