Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De scholen worden onderscheiden in openbare en bijzondere.

De eerstgenoemde zijn die, welke door de gemeente of het Rijk worden opgericht en onderhouden, terwijl alle andere scholen bijzondere zijn. Elke gemeente moet zorg dragen, dat de gelegenheid bestaat om in een genoegzaam aantal scholen voldoend lager onderwijs te verkrijgen. Gedeputeerde Staten kunnen vermeerdering bevelen, behoudens beroep op den Koning. Het onderwijs, dat in de openbare school wordt gegeven, moet neutraal zijn, d. i. het moet toegankelijk zijn voor alle kinderen zonder onderscheid van godsdienstige gezindte. „Het schoolonderwijs" zegt art. 33, „wordt onder het aanleeren van gepaste en nuttige kundigheden, dienstbaar gemaakt aan de ontwikkeling van de verstandelijke vermogens der kinderen, en aan hunne opleiding tot alle christelijke en maatschappelijke deugden."

Het is den onderwijzer der openbare school verboden, „iets te leeren, te doen of toe te laten, wat strijdig is met den eerbied, verschuldigd aan de godsdienstige begrippen van andersdenkenden." Bij de erkenning van het beginsel van godsdienstvrijheid mag op de openbare school geen voedsel gegeven worden aan onverdraagzaamheid tusschen de zonen van hetzelfde vaderland. Maar daarom nog behoeft eene algemeene opwekking tot godsdienstzin niet te ontbreken, omdat de lagere school niet alleen strekt tot ontwikkeling van het verstand, maar ook de zedelijke vorming en opvoeding van het kind moet bevorderen. Voorts schrijft de wet in art. 22 voor, „dat bij de regeling der schooltijden door het vrijgeven van uitdrukkelijk genoemde uren gezorgd moet worden, dat de schoolgaande kinderen godsdienstonderwijs kunnen genieten van de godsdienstleeraren." In de bijzondere school, welke veelal wordt opgericht door hen, die zich niet kunnen vereenigen met het karakter en de inrichting der openbare school, kan de onderwijzer het ginds buiten de schooluren verbannen kerkelijk onderwijs onder de leervakken opnemen.

(Stbl. n°. 177), voorts bij de wet van 9 Mei 1890 (Stbl. n°. 78), de wet van 30 December 1892 (Stbl. n°. 292), de wet van 13 September 1895 (Stbl. n°. 159), de wet van 28 December 1896 (Stbl. n°. 230), waarna de gewijzigde tekst bekend gemaakt werd bij K. B. van 28 Januari 1897 (Stbl. n°. 57), bij de Leerplichtwet van 7 Juli 1900 (Stbl. n°. 111) en ten slotte, in verband met de invoering dier wet, bij de wet van 24 Juni 1901 (Stbl. n°. 187), waarna de gewijzigde tekst bekend gemaakt is bij K. B. van 10 September 1901 (Stbl. n°. 208).

Sluiten