Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door den Koning telkens voor den tijd van één jaar wordt benoemd »). Deze senaat oefent toezicht uit over de academische tucht en studiën.

Behalve hoogleeraren zijn er privaatdocenten, die door den Minister van Binnenlandsche Zaken tot wederopzeggens toe worden toegelaten 2).

Hoewel niet tot het hooger onderwijs in eigenlijken zin behoorende. maken wij ten slotte hier nog melding van de Rijks-academie voor beeldende kunsten te Amsterdam, die op het gebied der kunst dezelfde plaats inneemt als de universiteit op het gebied der wetenschap. Zij is bestemd voor hoogere opleiding van kunstenaars en wordt beheerscht door de wet van 26 Mei 1870, Stbl. n°. 78.

De onderwijzers door den Koning benoemd, geschorst en ontslagen, voeren den titel van hoogleeraar en genieten eene jaarwedde uit 's Rijks kas. Een hunner is met den titel van directeur met het bestuur der academie belast.

Het toezicht is onder oppertoezicht van den Minister van Binnenlandsche Zaken opgedragen aan eene commissie van vijf leden, door den Koning benoemd.

Jaarlijks wordt een examen afgenomen in verschillende der aan de academie onderwezen vakken. De geslaagden worden tot onderlinge wedstrijden toegelaten, waarbij voor elk vak een prijs en een accessit worden toegekend, bestaande uit een gouden en een zilveren eerepenning. Zij, die den gouden eereprijs zijn waardig gekeurd en blijken hebben gegeven van groot talent en buitengewonen aanleg, kunnen op gemotiveerde aanbeveling van de commissie van toezicht, door den Koning hoogstens gedurende vier achtereenvolgende jaren worden begunstigd met een jaargeld van f 1200, ten

1) Deze waardigheid wordt beurtelings door een lid der verschillende faculteiten bekleed. De senaat maakt daarvoor eene voordracht op.

2) In 1900/1901 waren ingeschreven te Leiden 822 studenten, te Utrecht 832, te Groningen 365; aan de Gem. Universiteit te Amsterdam 996; aan de Vrije Univ. aldaar 120. Het Rijk besteedde aan de Universiteit te Leiden f 842.272,23'', aan die te Utrecht f 479.527,14, aan die te Groningen f 414.087,26». Het bedrag der inschrijvingsgelden was resp. f 97.850,00, f 87.490,00 en f 34.800,00. Het zuiver bedrag der uitgaven was f 1.825.925,17. De uitgaven der gemeente Amsterdam voor hare universiteit bedroegen f 363.653,81% haar inkomsten aan inschrijvingsgelden enz. en subsidiën f 160.923,50.

Sluiten