Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de eerste plaats dan een kort woord over de wet van 28 Juni 1881, Stbl. n°. 97, houdende wettelijke bepalingen tot regeling van den kleinhandel in sterken drank en tot beteugeling van openbare dronkenschap '). De bedoeling waarmee deze wet tot stand werd gebracht, was door vermindering van het aantal localiteiten, waarin sterken drank in het klein wordt verkocht, vermindering van het misbruik te bewerken 2). Tusschen het aantal dranklocaliteiten en de hoeveelheid gebruikten sterken drank veronderstelde men een evenredige verhouding.

Daarom werd ingevoerd het vergunningssysteem en werd voor de uit te reiken vergunningen een maximum vastgesteld door te bepalen op hoeveel honderd inwoners één vergunning mag worden verleend s). Op die wijze hoopte men, dat het aantal dranklocaliteiten, dat in de meeste gemeenten dit maximum verre overtrof, langzamerhand daartoe zou dalen.

Zonder vergunning van het gemeentebestuur mag sterke drank niet in het klein (d. w. z. bij hoeveelheden van minder dan twee liter) vekocht worden. De gevallen waarin de vergunning geweigerd moet worden, vermeldt de wet, o. a. wanneer de vergunning wordt gevraagd voor eene localiteit waarin eene andere winkelnering wordt uitgeoefend of loten worden verkocht in de Nederlandsche Staatsloterij, of die met zoodanige localiteit gemeenschap heeft, alsmede wanneer de verzoeker tolgaarder, brug- of sluiswachter is, of eenig openbaar ambt bekleedt. Van de vergunning

1) Deze wet is gewijzigd bij de wetten van 23 April 1884. Stbl. n°. 54; 16 April 1885, Stbl. n°. 78; 15 April 1886, Stbl. n°. 64 en 27 April 1901, Stbl. n°. 85.

2) Zie: Het dogma der Drankwet, rekest aan de Tweede Kamer met toelichting van Mr. W. A. Paap. Uitgaven met aanteekeningen dezer wet zijn bezorgd door Mrs. H. Goeman Borgesius, J. Oppenheim en F. W. J. Gr. Snijder van Wissenkerke.

3) Het aantal vergunningen mag niet meer bedragen dan:

in gemeenten met meer dan 50.000 zielen, 1 op 500 inwoners;

in gemeenten met meer dan 20.000 en ten hoogste 50.000 zielen, 1 op 400 inwoners;

in gemeenten met meer dan 10.000 en ten hoogste 20.000 zielen, 1 op 300 inwoners;

in de overige gemeenten 1 op 250 inwoners;

een en ander met dien verstande dat toeneming der bevolking geen verlaging van het maximum meebrengt.

Sluiten