Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bracht in het sub b vermelde. Men leest daarin thans: „aan anderen gedurende de eerste twintig jaren na voormeld tijdstip en aan hem, die op 1 Mei 1901 daarin het bedrijf uitoefende, tot 1 Mei 1904. In afwachting namelijk, dat een noodig geachte grondige herziening der drankwet tot stand zal worden gebracht, oordeeelde men het wenschelijk den op 1 Mei 1901, den datum waarop het dooide wet genoemde twintigjarige tijdvak zou zijn verstreken, bestaanden toestand gedurende een korten tijd te bestendigen ').

Een tweetal wetten van zeer ouden datum moeten wij hier nog vermelden: de wet van 22 Juli 1814, Stbl. n°. 86, houdend'e verbod van alle vreemde of particuliere loterijen 2) en de wet van 1 Maart 1815, Stbl. n°. 21, houdende voorschriften ter viering der dagen aan de openbare christelijke godsdienst gewijd.

Eerstgenoemde wet verbiedt het aanleggen of voortzetten van particuliere loterijen van welken aard ook, zoowel als het collecteeren of doen collecteeren van buitenlandsche loterijen, daarbij evenwel uitzondering makende voor premieloterijen van steden, plaatsen en corporatiën ingevolge koninklijk consent te houden en voor onderhandsche loterijen van „slachtvee, meubilaire goederen, boeken, liefhebberijen, zijden of andere stoffen kleederen of dergelijke objecten, alle beneden de waarde van honderd guldens," terwijl in bijzondere gevallen de Koning bevoegd is verloting van dergelijke artikelen tot een hoogere waarde toe te staan.

De artikelen 2, 3 en 4 in hoofdzaak bepalingen bevattende bestemd om bekendmaking van berichten en plans van loterijen tegen te gaan en aangifte van overtredingen te bevorderen, werden afgeschaft bij de wet van 20 Juli 1870, Stbl. 132. De artikelen 1 en 5 evenwel, waarvan wij boven de strekking mededeelden, zijn met

1) Bij Koninklijke boodschap van 19 Juni 1893 was reeds een ontwerp van wet tot herziening der bestaande wettelijke bepalingen bij de Tweede Kamer ingediend, waaromtrent een Voorloopig Verslag den 208""1 Februari 1894 werd vastgesteld. Nadat dit ontwerp, ten gevolge van de ontbinding der Tweede Kamer was vervallen, werd eerst den 25s,cn Juni 1900 een nieuwe stap tot oplossing van het vraagstuk gedaan door indiening van een wetsontwerp. De fatale termijn van 1 Mei 1901 bleek ecliter reeds te dicht genaderd dan dat totstandkoming voor dien tijd mogelijk was, vandaar het reeds vermelde noodwetje. Het aanhangige herzieningsontwerp werd door het inmiddels opgetreden ministerie ingetrokken.

2) Zie voor de Staatsloterij bladz. 262.

Sluiten