Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en onderhouden. Voorts oefenden de Prov. Staten toezicht uit op alle waterschappen binnen hun gebied.

De Grondwet van 1815 ') breidde deze voorschriften belangrijk uit. Er werd nu uitdrukkelijk gezegd dat de Koning het oppertoezicht zou hebben over alle waterstaatsaangelegenheden en dat hij het algemeen bestuur daarover zou doen uitoefenen op zoodanige wijze als hij het meest geschikt zou oordeelen. Evenals in 1814 werd eene scheiding gemaakt tusschen de rijks-waterstaatswerken en die welke door anderen dan het Rijk werden aangelegd en bekostigd. Om evenwel de taak van het Rijk eenigszins te verlichten, kreeg de Koning in art. 218 de bevoegdheid sommige rijkswaterstaatswerken in beheer en onderhoud over te brengen aan de provinciën. Daarvan heeft hij gebruik gemaakt bij Kon. Besluit van 17 Dec. 1819 2), hetwelk van kracht is gebleven tot 1876, toen het, naar veler meening op niet geheel grondwettige wijze, is ingetrokken bij Besluit van 27 Mei (Stbl. n°. 109).

De Grondwet van 1840 behield dezelfde redactie als die van 1815. Reeds de commissie voor de Grondwetsherziening van 1848 merkte op, dat daaronder, behalve een paar grondtrekken, niet één was, die niet in eene algemeene of in de provinciale wet eene betere plaatsvond. Ook de Regeering deelde, blijkens de memorie van toelichting op het negende hoofdstuk, hetzelfde gevoelen. Vandaar, dat de Grondwet van 1848 zich tot algemeene omtrekken in een viertal artikelen bepaalde.

Evenals hare voorgangsters droeg zij aan den Koning het oppertoezicht op „over alles wat betreft den waterstaat, de wegen en bruggen daaronder begrepen, zonder onderscheid of de onkosten daarvan worden betaald uit 'sLands kas of op eene andere wijze gevonden" 3). Met het toezicht belastte zij de Provinciale Staten, die voorts bevoegd zouden zijn, onder goedkeuring des Konings, in de bestaande inrichtingen en reglementen der waterschappen, behoudens de bepalingen in grondwet en wet vastgesteld, veranderingen te maken en nieuwe vast te stellen. Ten aanzien van de verveeningen, ontgrondingen, indijkingen, droogmakerijen, mijn-

1) Artt, 215—225 Grondwet 1815.

2) Dit besluit vindt men in het Bijv. t. h. Stbl. (ed. d'Engelbbonner) 1, blz. 538. Zie ook J. F. Boogaard , Wetten eti besluiten, en:, op den waterstaat , 1, blz. 177.

3) Art. 190 der Grondwet van 1848.

Sluiten