Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te werken tot de uitvoering van wetten, algemeene maatregelen van bestuur of provinciale verordeningen en deze medewerking weigeren of daarin nalatig zijn. In dat geval toch zijn Gedeputeerde Staten bevoegd den voorzitter van zoodanig bestuur daarmede te belasten of aan een bijzonderen commissaris de uitvoering op te dragen en wel op kosten der instelling.

Alvorens nu de inrichting der waterschappen en hunnen werkkring te bespreken een enkel woord over de geschiedenis daarvan.

De instelling van het waterschap is van oude dagteekening. De bedijkingen langs de zee en de rivieren plachten van de naaste belanghebbenden uit te gaan, met vergunning en onder toezicht van de grafelijkheid. Den ingelanden werd het recht toegekend om, met inachtneming van de regelen, door de overheid aangegeven, zich zelve te regeeren. Behalve het eigenlijk beheer verkregen de besturen de bevoegdheid om keuren uit te vaardigen, schouw te voeren, recht te spreken, belasting te heffen. De benamingen dezer publiekrechtelijke lichamen wisselden naar de gewesten en naar hunne taak.

Terwijl het woord waterschap de algemeene benaming is, pleegt men onder het hoogheemraadschap een waterschap te verstaan, dat zee- of rivierwater keert, en in den regel andere waterschappen omvat. Aan het bestuur van het hoogheemraadschap is dus de zorg opgedragen voor de gemeenschappelijke waterkeeringen, voor het waterpeil en de waterloozing, alsmede het toezicht op de waterschappen, welke binnen zijnen kring zijn gelegen.

Bestonden er reeds in de 10'i« eeuw bedijkingen langs de rivieren en de zee, de inpoldering binnenslands is in het begin der 15de eeuw aangevangen, toen de watermolen werd uitgevonden. Sedert tegen het einde der 16de eeuw deze molens beweegbare kappen hadden verkregen, kon de droogmakerij op grootere schaal voortgaan. De aldus gevormde binnenpolders hebben voor een groot deel een burgerrechtelijken oorsprong, aangezien zij niet uit de rechtstreeksche bemoeiing der overheid, maar uit het gemeen overleg der belanghebbenden zijn ontstaan. ')

Na de afzwering der grafelijkheid verwierven de besturen der water-

1) Mr. J. R. Thorbecke. Brief aan een lid der Staten van Gelderland over de macht der Prov. Staten, 1843. Mr. A. Gr. Brouwer. Bijdrage tot het onderzoek naar de rechtsbeginselen omtrent dijk-- en polderzaken, 1843. Mr. Gr. de Vries Az., Gids, Dec. 1880.

Sluiten