Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ven omtrent vernietiging en schorsing, wanneer strijd met de wet of het algemeen belang aanwezig is.""

„In overeenstemming met deze verklaring", zoo gaat de Memorie van ioelichting voort, „omvat dit wetsontwerp tot uitvoering van art. 191 der Grondwet alle verordeningen door de in dit artikel genoemde instellingen te maken, ook die welker nakoming niet door pclitiedwang verzekerd is."

Zij gaat dan verder na, wat de Grondwet onder het woord verordeningen verstaat en toont aan, dat deze onderscheidt tusschen verordeningen en besluiten (zie artt. 134, 140 en 145 der Grondwet), zoodat onder het woord verordeningen alleen verstaan kunnen worden algemeen iverkende voorschriften.

De wet tot uitvoering van art. 191 der Grondwet kan zich dus alleen bezighouden met algemeen werkende voorschriften door besturen van waterschappen enz. uit te vaardigen. Regels omtrent „ besluiten' dier instellingen zal men moeten zoeken in de wet ter uitvoering van artikel 188 der Grondwet.

De wet van 1895, S. 139, is geheel overeenkomstig de hier vooropgestelde beschouwingen ingericht.

Terwijl de artikelen 1 tot en met 3 betrekking hebben op alle vei ordeningen van waterschappen, veenschappen en veenpolders, zijn de overige alleen gewijd aan de keuren of politieverordeningen. Deze mogen alleen gemaakt worden door die besturen, aan welke de bevoegdheid daartoe bij het reglement der instelling uitdrukkelijk is toegekend, of welke die bevoegdheid wettig hebben uitgeoefend. Aan laatstgenoemden kan echter de bevoegdheid onder Koninklijke goedkeuring door Provinciale Staten worden ontnomen (ait. 4), een recht dat bedoelde colleges niettemin ook ten aanzien der andere instellingen bezitten, daar zij volgens art. 190 der Grondwet , met goedkeuring des Konings, de bestaande inrichtingen en reglementen der waterschappen enz. kunnen veranderen.

Terwijl ten aanzien van instructiên, reglementen van orde en dergelijke verordeningen mededeeling aan Gedeputeerde Staten, voor zoovei die wordt vereischt, voldoende is (art. 2), worden in art. 7 en volgende ten aanzien van keuren meer waarborgen gegeven, dat niet onnoodig belangen worden geschaad. Goedkeuring van Gedeputeerde Staten wordt vereischt '), terwijl bij verleening daarvan

1) Zie ook Prov. wet art. 158.

Sluiten