Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor onzen tijd bij uitnemendheid sociale strekking. De zorg van den Staat met betrekking tot de stoffelijke volkswelvaart bestaat in het algemeen hierin, dat zij de voorwaarden schept waaronder deze zich kan ontwikkelen en de hinderpalen uit den weg ruimt welke hare ontwikkeling zouden kunnen belemmeren. Zij zal naar de omstandigheden meer of minder rechtstreeks de bevordering dier welvaart ten doel hebben.

§1. Bevordering van werken van algemeen nut. A. Onteigening.

Zooals wij zagen ') vormt het private eigendomsrecht een der grondslagen der tegenwoordige maatschappij, doch gelijk wij eveneens zagen , wordt door de Grondwet de mogelijkheid geschapen iemand van zijn eigendomsrecht te ontzetten, wanneer dit in botsing komt met hetgeen het algemeen belang op een zeker oogenblik vordert. Wij hebben thans in de eerste plaats te bespreken op welke wijze daarin door de wet wordt voorzien. De wet van 28 Augustus 1851, Stbl. n°. 125, regelende de onteigening ten algemeenen nutte,•) geeft uitvoering aan artikel 147 der Grondwet van 1848, dat thans dooide reeds besproken artikelen 151 en 152 der herziene Grondwet is vervangen. Daardoor zijn in deze wet twee ongelijksoortige zaken vereenigd, de onteigening ten algemeenen nutte en de vernietiging van eigendom als politiemaatregel 3).

1) Zie boven, bladz. 53.

2) Deze wet is gewijzigd bij de wet van 1 Juni 1861, S. 54, de wet van 29 Maart 1877. S. 52, de Inv.wet S. R. van 15 April 1886, 8. 64 en bij de Woningwet, wet van 22 Juni 1901, S. 158.

3) Art. 147 der Grondwet van 1848 luidde: Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet, dan ten algemeenen nutte en tegen voorafgaande schadeloosstel ling.

De wet verklaart vooraf dat het algemeen nut de onteigening vordert. Eene algemeene wet regelt de uitzondering op het vereischte van zoodanige verklaring ten behoeve van vestingbouw en den aanleg, het herstel of onderhoud van dijken, bij besmetting en andere dringende omstandigheden.

De bovengenoemde vereischten van voorafgaande verklaring door eene wet, en van voorafgaande schadeloosstelling kunnen niet worden ingeroepen, wanneer oorlog, brand of watersnood eene onverwijlde inbezitneming vorderen. Het regt van den onteigende op schadeloosstelling wordt hierdoor echter niet verkort.

Zie voor den tekst der tegenwoordige artt. 151 en 152, bladz. 52 en

Sluiten