Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Hoogen Raad van 20 October 1879 (Weekbl. v. h. Recht n°. 4436), waarbij verbindende kracht aan het reglement werd ontzegd. Thans geldt voor de openbare middelen van vervoer, voor zoover zij zich over meer dan eene gemeente uitstrekken en niet eene Nederlandsche plaats met eene buitenlandsche verbinden, de wet van 23 April 1S80 (Stbl. n°. 67), betreffende de openbare middelen van vervoer, met uitzondering der spoorwegdiensten. Zij eischt geene voorafgaande vergunning der overheid, maar openbare kennisgeving omtrent de ondernemers, den aard der onderneming, de plaatsen waar stil wordt gehouden, de uren van vertrek en aankomst, de vrachtprijzen. Gelijk bij de tramwegen ') is ook hier de ondernemer verantwoordelijk voor de schade, door de reizigers bij de uitoefening van den dienst geleden, ten ware zij buiten zy'ne schuld of die zijner beambten en bedienden zij ontstaan. De brievenmalen moeten evenzoo desgevraagd tegen schadeloosstelling vervoerd worden. In het belang van de veiligheid der reizigers zijn voorschriften gegeven bij het Kon. Besl. van 31 Juli 1880 (Stbl. n°. 121). Het middel van vervoer is krachtens deze voorschriften onderworpen aan de goedkeuring van het gemeentebestuur, met beroep op den Commissaris des Konings. Personen beneden 18 jaren mogen niet als voerlieden, beneden 20 jaren niet als gezagvoerders of stuurlieden of als machinisten worden aangesteld. Rondom de vaartuigen moet, ter plaatse door of van wege het gemeentebestuur aan te wijzen, met eene afstekende kleur eene lijn worden getrokken, welke den grootsten geoorloofden diepgang aanwijst. Geen deel dezer lijn mag beneden de oppervlakte van het water liggen. Van de aanwijzing door het gemeentebestuur is beroep op den Commissaris des Konings.

4. Scheepvaart. Evenals de aanleg van spoorwegen wordt ook het graven van kanalen door den Staat bevorderd, hetzij hij het werk zelf ter hand neemt, hetzij hij de onderneming daarvan door anderen met subsidie ondersteunt. In de eerste plaats noemen wij bijvoorbeeld het Noordzeekanaal. Het is aangelegd door de Amsterdamsche kanaalmaatschappij, doch met de aan deze toebehoorende onroerende eigendommen, ten gevolge van eene overeenkomst, bekrachtigd bij de wet van 19 December 1882, Stbl. n°. 231 aan den Staat overgedragen. Bij de wet van 24 Juli 1899, Stbl. n°. 195 is tot verbetering van dit kanaal besloten.

1) Zie bladz. 497.

Sluiten