Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De waterweg van Rotterdam naar zee is van den aanvang af een Rijkswerk geweest. Tot den aanleg werd besloten bij de wet van 24 Januari 1863 (Stbl. n°. 4). Evenzoo is dit het geval met het Merwedekanaal (Wet van 29 Juli 1881, Stbl. n°. 143).

Subsidie pleegt de Staat te verleenen, wanneer het werk voor de provinciën, door welke dergelijke werken doorgaans worden ondernomen, te bezwarend blijkt en het van meer dan zuiver

provinciaal belang is.

Wat wetgevende bemoeiing betreft, is op het gebied van de scheepvaart in den jongsten tijd tot stand gekomen eene regeling betreffende de toelating als schipper op koopvaardijschepen en het aan boord daarvan in diëtist hebben van stuurlieden en machinisten. Deze regeling neergelegd in de wet van 28 Mei 1901, Stbl. n°. 139, heeft de strekking in het belang van de veiligheid van personen en goederen van Staatswege waarborgen omtrent de bekwaamheid van gezagvoerders , stuurlieden en machinisten te vorderen, daar het scheepvaartsbedrijf aan hen, die het uitoefenen, tegenwoordig veel hoogere eischen stelt, dan vroeger het geval was. Zij maakt onderscheid tusschen de groote vaart, de vaart met koopvaardijschepen van meer dan 100 ton bruto inhoud, en de kleine vaart, de vaart met

trw-mvnarHiisrhpnpn van 100 ton bruto inhoud en daai bent den ).

De eischen voor de verschillende qualiteiten bij de groote vaart zijn hooger gesteld dan die voor de kleine. Voorts is voorgeschreven het aantal gediplomeerden, dat aan boord van elk vaartuig, naar de door de wet gemaakte onderscheidingen, aanwezig moet zijn. Deze regeling is in zekeren zin te beschouwen als eene aanvulling van sommige voorschriften der wet van 7 Mei 1856, Stbl. n°. 32, houdende bepalingen omtrent de huishouding en tucht op de koopvaardijschepen 2). De titel dezer wet toont voldoende aan,

1) Onder een scheepston wordt verstaan 2,83 M3. De meting der zeeschepen is geregeld bij de wet van 14 Juli 1855, S. 105, tot afschaffing van het tonnegeld der zeeschepen en houdende bepalingen omtrent het meten der zelve, herzien bij de wet van 3 Juni 1875, S. 101, tot afschaffing van het vuur-, ton- en bakengeld en nadere regeling der meting van zeeschepen ter uitvoering waarvan is vastgesteld het K. B. van 21 Aug. 1875, S. 146 gewijzigd 18 Sept. 1899, S. 208.

De meting van binnenvaartuigen berust op art. 55 der wet van - Oct. 1893, S. 149, tot heffing eener belasting op bedrijfs- en andere inkomsten, ter uitvoering waarvan is vastgesteld het K. B. van 20 Juli 1899, S. 164.

2) Gewijzigd bij de wet van 13 Nov. 1879, Stbl. n°. 190 en de Inv.wet S. R,

Sluiten