Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij kosteloos het kassierschap der Rijkspostspaarbank waar en bewaart zij alle geldswaarden dier spaarbank en de door deze in pand genomen waarden.

Zij verleent kosteloos, naar de wet, hare hulp en medewerking tot de vervaardiging, uitgifte en intrekking der muntbiljetten '); zy is daartoe echter alleen verplicht zoolang het gezamenlijk bedrag van deze de som van vijftien millioen gulden niet te boven gaat. Met afwijking voorts van het boven vermelde verbod tot het verleenen van blanco-crediet, is de Bank: 1°. verplicht om aan den Staat, telkens wanneer de Minister van Financiën dit tot tijdelijke versterking van 's Rijks schatkist noodig acht, voorschotten in rekeningcourant, tegen de gewone beleeningsrente, te verstrekken, op voldoend onderpand van schatkistbiljetten 2), waarvan de uitgifte of beleening bij de wet zal zijn toegestaan; 2°. bevoegd, om aan den Minister van Financiën, ten behoeve van den Staat, dergelijke voorschotten tot inwisseling, tegen standpenningen, van daartoe aangeboden muntbiljetten te doen, op onderpand van het geheel of een gedeelte der kapitalen, als fonds tot verzekering van de verwisseling der muntbiljetten tegen standpenningen, op de Grootboeken der Nationale Schuld ingeschreven 3).

Overigens heeft de Staat zich bij de wet van 1888 nog andere voordeelen bedongen en is de Bank aan Staatstoezicht onderworpen. Het kapitaal werd van f 16,000,000 op f 20,000,000 gebracht, terwijl de nieuwe aandeelen tegen storting van hun nominaal bedrag en een uitkeering aan den Staat van 25 % over dat bedrag ter beschikking werden gesteld van de aandeelhouders, in verhouding tot hun aandeelen. Met afwijking van het bovenvermelde verbod van aankoop van effecten, mag de Bank sedert één vijfde gedeelte van haar maatschappelijk kapitaal, benevens het reservefonds, daarin beleggen. De uitkeering van het aandeel van den Staat in de winsten der Bank is als volgt geregeld: Ten beloope van 5 % over het maatschappelijk

1) Zie boven bladz. 242.

2) Zie bladz. 243.

3) Hare voorschotten onder 1°. bedoeld, mogen tegelijkertijd gezamenlijk niet meer dan f 5,000,000 bedragen. De verplichting tot het verstrekken dier voorschotten houdt op zoodra en voor zoolang als het beschikbaar metaalsaldo der Bank beneden f 10,000,000 is gedaald. Zij vervalt in zoover dit saldo door die voorschotten daar beneden zou dalen. De bevoegdheid sub 2°. bedoeld houdt op, wanneer de Staat besluiten mocht om voor meer dan f 15,000,000 aan muntpapier uit te geven.

Sluiten