Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en zorgt verder voor de aanvrage der inschrijving aan het Internationaal Bureau, dat te Bern gevestigd is.

Indien het merk geheel of in hoofdzaak overeenstemt met een merk, dat voor dezelfde soort van waren ten name van een ander is ingeschreven, of indien het woorden of voorstellingen bevat in strijd met de openbare orde of de goede zeden, of wel, zij het ook met geringe afwijking, bevat een wapen van het Rijk, eene pro. vincie, gemeente of eenig ander publiekrechtelijk lichaam, dan kan het Bureau de inschrijving weigeren. De inzender is in dat geval bevoegd, binnen de daarvoor gestelde termijnen, zich bij verzoek* schrift te wenden tot de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, ten einde de inschrijving worde bevolen.

Meent iemand, dat een ingeschreven merk overeenkomt met een merk, dat door hem het eerst is gebruikt en waarop hij het recht nog niet heeft verloren, dan kan hij zich op gelijke wijze tot de rechtbank wenden, ten einde de inschrijving worde nietig verklaard. Van de uitspraak der rechtbank is geen hooger beroep, wèl cassatie, toegelaten.

De kracht eener inschrijving vervalt door doorhaling op verzoek van den rechthebbende; door verloop van twintig jaren, indien de inschrijving niet is hernieuwd; door het vervallen van de kracht of het weigeren der inschrijving in het land van oorsprong.

Overgang van een merk aan een ander wordt alleen dan in de registers aangeteekend, indien tevens de fabriek of handelsinrichting, tot onderscheiding van welker waren het merk bestemd is, aan denzelfden persoon is overgegaan.

Andere vormen van „industrieelen eigendom", nl. het uitvindingsoctrooi en het recht op het uitsluitend gebruik van fabrieksmodellen en teekeningen, welke in verschillende Staten van het buitenland bestaan, kent de Nederlandsche wetgeving niet.

3. De jacht en vwcherij worden door de wet van 18 Juni 1857 (Stbl. n". 67) ') geregeld. Het is hier niet de plaats om de meerdere of mindere doelmatigheid dezer wet te bespreken. Alleen teekenen wij aan, dat de jachtwet meer werkt als belastingmiddel, en in het belang van het groote bezit, dan in dat van den landbouw. Immers, terwijl art. 641 van het Burgerlijk Wetboek aan iederen eigenaar

1) Gewijzigd en aangevuld bij de wetten van 14 en 15 April 1886, S. S. «1 en 64 (Inv. S. R.) en 13 Juli 1896, S. 105.

Sluiten