Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2°. Wijziging der wet van 28 Mei 1869 (Stbl. n«. 97) regelende het toezicht op het gebruik van stoomtoestellen 1).

3°. Vaststelling van voorschriften in het belang van de veiligheid, gezondheid en het welzijn der werklieden in fabrieken en werkplaatsen J).

4°. Regeling der diensttijden van beambten en werklieden in de stations, loodsen, stallen en remises, op den weg en op de wagens en treinen van alle ondernemingen van vervoer, die met concessie van het openbaar gezag een spoorbaan berijden s).

5°. Instelling van Kamers van Arbeid 4).

6°. Wijziging van de wet van 22 April 1855, Stbl. n°. 32, tot regeling en beperking van het recht van vereeniging en vergadering.

7°. Regeling van het arbeidscontract en vaststelling van bepalingen tegen misbruiken bij de betaling van het loon 5).

1) Zie voor de wet van 15 April 1896, Stbl. n°. 69, blz. 516.

2) Zie voor de Veiligheidswet beneden blz. 533.

3) Algemeene regels betreffende de dienst- en rusttijden van de beambten en bedienden der spoorwegdiensten, belast met de uitoefening van den dienst of met de zorg voor het veilig verkeer, zijn vervat in art. 113 van het Algemeen reglement voor den dienst op de npoorwegen iK. B. 27 Oct. 1875, S. 183) zooals dit artikel luidt na de wijziging bij K. B. 9 Febr. 1899, S. 69. In sommige gevallen kan door den Min. v. W. en N. ontheffing worden verleend.

Bij K. B. van 7 April 1903, S. 96 is een art. 113Ms aan dit reglement toegevoegd, volgens hetwelk de voorwaarden waaronder de beambten en bedienden der spoorwegdiensten in dienst worden genomen en in den dienst werkzaam zijn, de loonregeling voor de onderscheidene categorieën van personeel inbegrepen, alsmede die volgens welke hunne dienstbetrekking een einde neemt, in een reglement moeten worden neergelegd en aan de goedkeuring van den Min. v. W. H. en N. onderworpen.

In die voorwaarden zullen o. m. bepalingen moeten worden opgenomen krachtens welke het personeel bevoegd zal zijn wenschen of bezwaren ter kennis van het spoorwegbestuur te brengen en in beroep zal kunnen komen van disciplinaire straffen bij daarvoor in te stellen scheidsgerechten.

Bij de wet van 11 April 1903, Stbl. n°. 103 is inmiddels besloten tot de benoeming eener Staatscommissie om een onderzoek in te stellen naar de rechtsverhoudingen en de voorwaarden, waaronder het personeel bij het spoorwegbedrijf in dienst is.

4) Zie voor de wet op de Kamers van Arbeid beneden blz. 536.

5) Een bij Kon. boodschap van 7 Mei 1901 (Uedr. St. Zitting 1901—1901 n°. 222) ingediend ontwerp van wet tot wijziging en aanvulling van de

Sluiten