Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet uit het oog verloren werd; maar de bepalingen der Grondwet werden door den al te grooten invloed van het Rijksgezag in hare werking belemmerd. Zelfs het Koninklijk besluit van 1 Maart 1831 >), dat eene poging deed, om de toepassing der grondwettelijke voorschriften te bevorderen, bleek tegen dien alles overheerschenden invloed niets te vermogen.

De Grondwet van 1840 was eene te getrouwe kopie van de vorige, en het beginsel eener provinciale regeering had nog te weinig wortel geschoten, dan dat men in dit opzicht verandering had kunnen verwachten. „Het provinciewezen," schreef de commissie van 17 Maart 1848, „was tot dusver zonder publiek leven." Het voorstel der negen mannen in 1844 bereidde den weg, dien de Grondwet van 1848 zou inslaan. Mocht al het hoofdbeginsel geen verandering ondergaan hebben, werden ook nu „de Provinciale Staten bij hunne zelfstandigheid, bij hunne wetgevende macht en bij hun huishoudelijk bestuur, zoowel als bij hunne betrekking tot de uitvoerende macht bewaard" 2), het hoofdstuk, dat het gewestelijk en plaatselijk bestuur regelde, was zoo omgewerkt, de grondslagen waarop die besturen zouden rusten, waren zoo verbeterd en gezuiverd, dat het verschil in het oog vallende is. Vooral in twee opzichten munt de regeling van deze aangelegenheid in de Grondwet van 1848 boven die van hare voorgangsters uit; eensdeels werd door haar de wijze van samenstelling der Provinciale Staten en van de verkiezing der leden meer in overeenstemming gebracht met het geheele stelsel der Grondwet, en anderdeels werd de uitwerking der algemeene regelen aan eene bijzondere wet overgelaten, waardoor de toepassing van het beginsel, ten opzichte van de provinciale vertegenwoordiging gevolgd, minder dan vroeger gevaar liep, door eenen alles beheerschenden centralisatiegeest vrijgesteld te worden.

Reeds in het verslag van de commissie van 17 Maart 1848 was te recht opgemerkt: „ nevens eene wetgevende macht, die hare roeping kent en vervult, behoeft ons land de eenheid en kracht van een monarchaal bestuur in de algemeene aangelegenheden, gepaard met die zelfregeering der provinciën en gemeenten, welke zonder de orde van het staatslichaam te storen, het door vrije ontwikkeling zijner deelen versterkt. De belangstelling van den inge-

1) Zie het Bijv. t. h. Stbl. (ed. d'Enöelbhonner) , III, 5.

2) Memorie van toelichting.

Sluiten