Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

king; het ledental van dat gewest moest dus 37 boven de 35 (het cijfer der Drentsche staten) zijn = 72 ').

Aan het hoofd der provincie staat de Commissaris des Konings, die als voorzitter der Provinciale en Gedeputeerde Staten fungeert, en met de uitvoering van 's Konings bevelen en het toezicht op de verrichtingen der Staten belast is 2), terwijl hij in zijne provincie rang heeft boven alle andere burgerlijke ambtenaren en officieren bij de land- en de zeemacht s).

Onder het Bourgondische en het Oostenrijksche Huis stonden aan het hoofd der gewesten — voor zoover deze aan de vorsten uit die huizen onderworpen waren — Stadhouders, om ze namens den Landsheer te besturen. Gedurende de Republiek der Yereenigde Nederlanden werd de Stadhouder het Eminent Hoofd van den Staat genoemd; dit belette echter niet, dat hij aanvankelijk zijne commissie van de Gewestelijke Staten ontving. Bij de verheffing van willem III tot deze waardigheid werd zij in de mannelijke, en later in 1746 ook" in de vrouwelijke linie erfelijk verklaard. Onder de regeering van Koning lodewijk had men Landdrosten met ten minste zes assessoren — alleen Drente had er vier. Onder de Fransche overheersching waren Prefecten aan het hoofd van ieder Departement gesteld. Na de restauratie tot aan de Grondwetsherziening in 1848 droegen zij den titel van Gouverneurs *). Sedert 1848 werden zij overeenkomstig het grondwettelijk voorschrift Commissarissen des Konings genoemd, welke titel na de troonsbeklimming van Koningin Wilhelmina, ingevolge de wet van 22 Juni 1895 (Stbl. no. 125), in Commissaris der Koningin is veranderd.

Deze betrekking is onvereenigbaar met het lidmaatschap der

1) Zie EotssKVAiS", Aanteck. op de Prof. wet.

2) Art. 141 le en 2e lid Gw. De Koning stelt in elke provincie een Commissaris aan met de uitvoering Zijner bevelen en met het toezigt op de verrigtingen der Staten belast. Deze Commissaris is Voorzitter van de Vergadering der Provinciale Staten en van die der Gedeputeerde Staten an heeft in laatstgenoemd collegie stem.

3) K. B. 27 Sept. 1850, Stbl. no. 62, houdende vaststelling eener instructie voor den Commissaris des Konings in elke provincie, art. 17.

4) In de Grondwetten van 1814, 1815 en 1840 wordt gezegd, dat de Koning commissarissen zal aanstellen, „onder zulke benaming als hij goedvindt."

Sluiten