Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plaatsen besluit, dat, ingeval van schorsing, den duur hiervan bepaalt ')• Deze voorschriften der Provinciale Wet staan nog op het standpunt van do bepaling van art. 133 der Grondwet van 1848: „De Koning heeft het vermogen de besluiten der Staten, die met de wetten of het algemeen belang strijdig zijn, te schorsen of te vernietigen. De wet regelt de gevolgen."

Ofschoon hier slechts van 's Konings vermogen tot vernietiging of schorsing werd gewaagt, mocht aan dat woord niet de beperkte beteekenis gegeven worden, alsof hij die vernietiging of schorsing zou kunnen nalaten, als hij dit verkoos. De regel is: er mag geen strijd bestaan tusschen een provinciaal besluit en de algemeene wet of het algemeen belang; waar deze strijd bestaat, is de Koning verplicht hem te doen ophouden.

De herziening van 1887 heeft evenwel een belangrijke wijziging in dit artikel gebracht. De wet zal thans niet alleen de gevolgen der vernietiging hebben te regelen, doch het recht zelf 2).

Omtrent de wijze waarop de vernietiging thans plaats heeft, merken wij nog op, dat ingevolge de wet op de Raad van State dit Staatslichaam daarover gehoord moet worden »).

Terwijl de Gemeentewet aan den gemeenteraad de bevoegdheid geeft strafbepalingen te bedreigen tegen de overtreding zijner verordeningen, heeft de Provinciale Wet die bevoegdheid niet gegeven aan de Provinciale Staten ten opzichte hunner verordeningen. Hierin was evenwel reeds voorzien door de wet van 6 Maart 1818 (Stbl. n°. 12) 4). Genoemde wet is wat betreft de provinciale verordeningen herzien door die van 25 Mei 1880 (Stbl. n°. 86), waarvan het eerste artikel gewijzigd is gehandhaafd bij art. 23 deiInvoeringswet van het Strafwetboek 5).

1) Art. 169 Prov. wet

2) Art. 140. De magt des Konings om de besluiten van Provinciale Staten of van Gedeputeerde Staten, die met de wet of het algemeen belang strijdig zijn, te schorsen en te vernietigen, wordt bij de wet geregeld.

3) Art. 22 der wet van 21 Dec. 1861, S. 129. Zie overigens blz. 155 v.

4) Ofschoon de wet van 6 Maart 1818 hetzelfde bepaalde ten opzichte van de gemeenteverordeningen, heeft dit niet belet, dat in de gemeentewet van 1851 van de bevoegdheid om strafbepalingen vast te stellen uitdrukkelijk gewag wordt gemaakt (art. 161 Gem. Wet). Zie voor de wet van 1818 overigens boven bladz. 122.

5) Zie blz. 271.

Sluiten