Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Is de heffing van provinciale belastingen aan de bekrachtiging door de wet onderworpen, het aangaan van geldleeningen ten laste der provincie en de besluiten tot het koopen en verkoopen, ruilen en bezwaren der provinciale eigendommen, alsmede het aanvaarden van schenkingen en legaten behoeven slechts de goedring des Konings ').

Voorts is aan do Koninklijke goedkeuring onderworpen de provinciale huishoudelijke begrooting, welke jaarlijks door Provinciale Staten moet worden opgemaakt 1). Te dien aanzien geldt, wat reeds boven van de verordeningen gezegd is, dat zij namelijk in haar geheel al dan niet goedgekeurd moet worden ').

Op deze begrooting worden o. a. gebracht de jaarwedden van de ambtenaren die niet ter griffie werkzaam zijn, de kosten van aanleg van wegen en andere werken, het onderhoud van eigendommen, de renten en aflossingen van geldleeningen, de kosten van te voeren gedingen, en die van het provinciale blad en andere ten behoeve der provincie gedrukte stukken. Verder komen daarop nog voor de kosten voor verpleging van onvermogende krankzinnigen, welke ten laste der provincie komen 4), en voorts alle uitgaven welke door bijzondere wetten aan de provincie worden opgelegd. Weigeren de Staten deze laatste uitgaven op hunne huishoudelijke begrooting te brengen, dan geschiedt dit door den Koning. Want de wet moet worden uitgevoerd. Zijn de provinciale uitgaven niet voldoende tot dekking, of weigeren de Staten nieuwe middelen tot dekking aan te wijzen, dan vermindert de Koning, bij een in het Staatsblad te plaatsen besluit, de niet bij de wet opgelegde uitgaven in zoodanige rede, dat het evenwicht tusschen de provinciale uitgaven en ontvangsten hersteld worde. Slechts ééne soort van uitgaven kan door den Koning niet op deze wijze worden getroffen, n.1. de renten der door de provincie aangegane geldleeningen 5).

Ook ten aanzien van de provinciale begrooting zijn in 1887 de

is de heffing verminderd. Zij strekt thans ook tot dekking van andere provinciale uitgaven en is bij de wet van 27 April 1903. Stbl. n°. 132 voor den tijd van drie jaren bekrachtigd.

1) Artt. 131, 132 en 133 Prov. wet.

2) Art. 109 Prov. wet.

3) Art. 110 ibid.

4) Art. 107 ibid. Zie ook art. 11 der Krankzinnigenwet van 27 April 18B4, S. 96.

6) Art. 112 ibid.

Sluiten