Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waren landelijke gemeenten die op zich zeiven stonden, er waren er die onder heeren stonden, zooals ambachtsheerlijkheden enz. Van deze oefenden sommige eene vrij uitgestrekte rechtsmacht uit, en bezaten andere eene minder uitgebreide jurisdictie ')•

„Voor 1795 vormden in ons land alleen de steden eigenlijke gemeenten. Het platteland, de dorpen, bezaten geenerlei staatrechtelijke bevoegdheid" 2).

Bij de Staatsregeling van 1798 werd de zelfstandigheid der stedelijke besturen vernietigd; bovendien verdween het verschil tusschen steden en plattelandsgemeenten; allen werden op dezelfde lijn geplaatst, en Amsterdam, dat eertijds nu en dan den politieken toestand van al de Nederlandsche gewesten had beheerscht, stond met het geringste dorpje gelijk. Al de gemeenten werden administratieve lichamen, die ondergeschikt en verantwoordelijk waren aan het uitvoerend bewind 3). De Staatsregeling van 1801 maakte weder onderscheid tusschen steden en dorpen, terwijl ook nog van districten gesproken werd. Verder werd aan de gemeenten weder de vrije beschikking over hare huishoudelijke belangen gegeven, waarvoor zij zei ven de benoodigde verordeningen konden vaststellen 4). De Constitutie van 1806 schreef voor, dat de bevoegdheid der gemeentebesturen om hunne huishoudelijke belangen te regelen, door eene wet zoude omschreven worden 3). Aan dit voorschrift voldeed de wet van 17 April 1807. „ Zij ademde geheel en al den geest van het napoleontische centralisatie-stelsel, en beperkte tot verdwijnens toe de zelfstandigheid der gemeente. Het bestuur werd daarbij in handen van den drost gebracht" 6). De Pransche overheersching riep een conseil municipal in het leven, die slechts als raadgevend

1) Nam.: ambachtsheerlijkheden met liooge jurisdictie, die het recht om in halszaken en in burgerlijke gedingen te vonnissen, omvatte, en van middelbare en lage jurisdictie. Met de middelbare werd bedoeld het recht, om bij overtredingen van minderen aard recht te spreken; met de lage alleen dat van in burgerlijke zaken te beslissen.

2) Mr. J. H. G. Boissevain. De Gemeentewet opgehelderd door eene aanteekening, aangevuld door Mr. G. van Oosterwijk, Algemeen overzicht bladz. 13.

8) Artt. 141, 190—199, Staatsr. 1798.

4) Art. 73 en volgg., Staatsr. 1801.

5) Art. 63 Const. 1806.

6) Boissevain, t. a. p. blz. 17. Landdrosten stonden aan het hoofd der departementen; drosten aan dat der kwartieren.

Sluiten