Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelet moet worden op onderscheidene zaken. Zoo zal bv. de nieuwe gemeente waarborgen moeten bezitten, dat zjj een zelfstandig bestaan kan hebben; zoo zal er gelet moeten worden, of daar een genoegzaam getal kiezers gevonden wordt, om de leden van den raad te kiezen, enz.

Terwijl de Grondwet, even als voor de Provinciale Staten, in groote omtrekken de inrichting van bestuur en de rechten der gemeente omschrijft, eischt zij tevens, dat eene bijzondere wet de samenstelling, inrichting en bevoegdheid der gemeentebesturen zal regelen 1). Aan dit voorschrift is voldaan door de wet van 29 Juni 1851, Stbl. n°. 85, 2) die alvorens aan de StatenGeneraal te worden aangeboden, overeenkomstig de bepaling van art. 138 der Grondwet van 1848 aan het oordeel der Provinciale Staten in hunne najaarszitting van 1850 onderworpen was geworden.

De wijzigingen te dezen opzichte bij de herziening van 1887 in de Grondwet gebracht zijn van veel minder ingrijpenden aard dan die ten aanzien van de provinciale besturen. Het gevolg hiervan is, dat in afwijking met hetgeen wij daaromtrent bij de provincie hebben opgemerkt, de Grondwet, zooals die thans luidt, voor de gemeente geldt; er is geen eigenlijke strijd tusschen Grond- en Gemeentewet. Het kiesrecht, ten aanzien waarvan de aangebrachte wijzigingen het meest ingrijpend waren, is trouwens, evenals wij dit by de Provinciale Wet hebben opgemerkt, met de Grondwet in overeenstemming gebracht.

Het voorschrift, krachtens hetwelk de wet, die de gemeentebesturen regelt, vooraf een onderzoek bij de Provinciale Staten moest ondergaan, is thans geschrapt. Hiermede werd een einde gemaakt

1) Art. 142. De zamenstelling, inrichting en bevoegdheid der gemeentebesturen worden door de wet geregeld met in achtneming der voorschriften in de volgende artikelen dezer afdeeling vervat.

2) Wet van 29 Juni 1851, S. 85, gewijzigd bij de wetten van 7 Juli 1865, S. 79; 28 Juni 1881, S. 102; 26 Juli 1885, S. 169; (Inv. W. v.S. R.) 15 April 1886, S. 64; 6 Nov. 1887, S. 193, add. art. X, Grondwet 1887; 28 Mei 1896, S. 88; 28 April 1897, S. 110; 24 Mei 1897, S. 156; 14 Juli 1898, S. 178 en 21 September 1900, S. 164.

Een ontwerp van wet tot wijziging der Gemeentewet is bij StatenGeneraal aanhangig. De daarbij voorgestelde wijzigingen betreffen in hoofdzaak den Burgerlijken Stand (zie boven bladz. 366 noot 2), en den rechtstoestand van gemeentesecretaris en -ontvanger.

Sluiten