Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dit door openvallende zetels niet weder te doen bezetten, tot het juiste cijfer verkregen is ').

De vereischten voor het lidmaatschap van den Raad zijn weder dezelfde als voor de andere vertegenwoordigingen, met uitzondering van den leeftijd, die op drie en twintig jaren gesteld is, en van het ingezetenschap, hetwelk hier op de gemeente betrekking heeft2). Bloedverwantschap of zwagerschap in den eersten of tweeden graad tusschen den Burgemeester en de leden van den Raad, oftusschen deze laatsten onderling, sluit van het lidmaatschap uit 3). Verder kan in den Raad geen zitting worden genomen door: Ministers, Commissarissen des Konings, leden van Gedeputeerde Staten, de griffiers der Provinciale Staten, commissarissen van politie, de ambtenaren, door het gemeentebestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt 4), ontvangers, belast met het ontvangen of uitgeven der gemeentegelden, ook al zijn zij geen gemeenteambtenaren, geestelijken of bedienaren van den godsdienst, onderwijzers, zoo van het lager- als middelbaar onderwijs, en eindelijk krijgslieden in werkelijken dienst 5).

De geloofsbrieven 6) der gekozen leden worden door den Gemeente-

1) Art. 806is (rem. wet.

2) Art. 143, 3C lid. Om lid van den raad te kunnen zijn wordt vereisclit dat men mannelijk Nederlander en ingezeten der gemeente zij, niet bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van drie en twintig jaren vervuld hebbe.

De Grondwet van 1848 bevatte een dergelijk voorschrift niet, doch liet de regeling aan de wet over. Vgl. art. 19 Gem. wet. Het aanhangige ontwerp tot wijziging dor Gem. wet heeft de strekking ook in dit artikel de redactie geheel met de Grondwet te doen overeenstemmen.

3) Art. 21 ibid.

4) Hierop maken echter de leden van armbesturen of van het bestuur van godshuizen of andere instellingen van liefdadigheid, en genees-, heelof verloskundigen, die met de armenpractijk belast zijn, eene uitzondering.

5) Art. 23 Gem. wet.

6) Gelijk wij reeds boven zagen verstaat men daaronder de stukken waaruit de benoeming blijkt. Is de verkiezing met de enkele candidaatstelling afgeloopen dan is een afschrift van het procesverbaal daarvan voldoende, anders behooren daarbij ook nog een afschrift van het procesverbaal der stemming, eventueel ook der herstemming. Vgl. voorts artt. 5—18 vormende de tweede paragraaf van het Eerste Hoofdstuk van Titel II der wet, Van de benoeming der leden van den Raad. Deze para-

Sluiten