Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het duidelijk, dat hij bij voorkeur uit de leden van den Raad moet worden benoemd; bovendien schrijft de Gemeentewet als vereischte voor, dat hij ingezeten zij van de gemeente, aan welker hoofd hij geplaatst is; maar zoowel de Grondwet als de Gemeentewet geven den Koning de bevoegdheid, „ in het belang der gemeente," hiervan af te wijken '). Deze bevoegdheid is daarom gegeven, wijl de ervaring geleerd heeft, dat niet altijd onder de leden een in alle opzichten geschikt burgemeester is te vinden, en door eene ongelukkige keuze — waarin men zonder die bevoegdheid allicht zou vervallen — zoowel de algemeene als de plaatselijke belangen schade zouden lijden 2).

Behalve het ingezetenschap en de vijf-en-twintigjarige leeftijd, zijn de overige vereischten de gewone, nl. Nederlanderschap en het volle bezit der burgerlijke en burgerschapsrechten. Is de Burgemeester lid van den Raad, dan heeft hij even als de andere leden eene stem, in het tegenovergestelde geval kan hij slechts adviseerend optreden 3). In het college van het dagelijksch bestuur — waarover straks nader, — heeft hij altijd eene stem, onverschillig, of hij al dan niet lid is van den Raad 4). Ook kan hij tegelijk Burgemeester zijn van meer dan eene gemeente, mits deze gemeenten aan elkander grenzen, geen harer een hooger zielental dan 5000 hebbe, en het cijfer der bevolking van de gezamenlijke gemeenten 10,000 niet te boven ga 5). Immers zouden bij eene al te groote uitgebreidheid der gemeenten de plaatselijke belangen gevaar loopen niet behoorlijk overzien en behartigd te worden.

Ten opzichte van de onvereenigbaarheid van de betrekking van Burgemeester met eene andere, moet onderscheid gemaakt worden tusschen de zoodanige die volstrekt onvereenigbaar zijn, en die,

is tevens ambtenaar: De Burgemeester bekleedt een ambt, maar is bestuursorgaan"; dan geeft dit op uitnemende wijze het karakter weer van de positie welke de burgemeester in de gemeente inneemt, doch wordt daardoor o. i. niets beslist omtrent de verhouding tusschen den burgemeester en het Rijk, zoodat de opvatting, dat de burgemeester niettemin Rijksambtenaar is o. i. daardoor niet wordt uitgesloten.

1) Art. 61 Gem. wet.

2) Mem. v. Toelichting.

3) Art. 66 Gem. wet.

4) Art. 92 ibid. Zie ook de aant. van Boissevain t. a. p. daarop.

5) Art. 3 ibid.

Sluiten