Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoodat de uijtkeering door het Rijk te doen slechts afwisselt in verband met het zielental van elke gemeente op den lsten Januari van het jaar.

De uitkeering houdt dus verband met het zielental, doch het bedrag per inwoner zal, ook voor gemeenten met een gelijk getal inwoners, zeer kunnen verschillen. De wetgever is bij het vaststellen van de regels voor de berekening van dat bedrag uitgegaan van de gedachte, dat in groote gemeenten de kosten van hetgeen de gemeente in het algemeen belang te doen heeft, betrekkelijk van meer beteekenis zijn dan in kleinere en heeft daarom bepaald, dat gemeenten boven 20.000 zielen meer uitkeering per inwoner moeten ontvangen dan kleinere gemeenten. Dit blijkt uit de eerste van het tweetal sommen, die voor het maken der berekening moeten worden vastgesteld ').

Bij het geven van regels voor de berekening der tweede som is uitdrukkelijk vastgehouden aan het denkbeeld, dat uitkeering noodig is, omdat de Staat den gemeenten het recht ontzegd heeft van alle bewoners, dus ook van hen die niet in de plaatselijke directe belasting vallen, belasting te heffen. „ Onder die omstandigheden", zoo zegt de Memorie van Toelichting 2) „is het billijk, dat de Staat aan de gemeente eene uitkeering doe, vertegenwoordigende het aandeel, dat door evenbedoelde categorie van inwoners in de plaatselijke belastingen zou worden gedragen, ware het mogelijk hen daarin te betrekken."

Om de som te verkrijgen waarin de Staat zijn aandeel moet dragen, moet worden opgeteld hetgeen in de gemeente (op het oogenblik van de totstandkoming der wet, dus over het jaar 1896) aan persoonlijke belastingen werd opgebracht en hetgeen uit 's Rijks kas werd uitgekeerd en waardoor dus de noodzakelijkheid werd voorkomen om tot een gelijk bedrag meer gemeentelijke belasting te heffen. Het totaal hiervan wijst aan, hoeveel zonder staatshulp zou moeten zijn opgebracht. Onder persoonlijke lasten begrijpt de wetgever behalve hoofdelijken omslag en opcenten op de personeele belasting, de belasting op voorwerpen van gebruik, voorzoover die in enkele

1) Art. 2 § 1 der wet. Voor gemeenten van niet meer dan 20.000 inwoners is een cijfer van f 1 per inwoner aangenomen, voor gemeenten van meer dan 20.000 inwoners, f 20.000 benevens f 1.25 voor iederen inwoner daarboven.

2) Zie ook Hartman t. a. p. bladz. 14.

Sluiten